Eiser vroeg op 17 augustus 2018 een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) aan voor het verkrijgen van een taxichauffeurskaart. De minister voor Rechtsbescherming weigerde deze VOG op grond van een recente veroordeling wegens een overtreding van de Opiumwet en een eerdere justitiële confrontatie buiten de terugkijktermijn.
De rechtbank oordeelt dat het objectieve criterium is vervuld omdat overtredingen van de Opiumwet onverenigbaar zijn met de functie van taxichauffeur, gezien het risico voor passagiers en de samenleving. Het subjectieve criterium leidt eveneens tot weigering, omdat de verstreken tijd sinds de veroordeling te kort is om het risico als afgenomen te beschouwen.
Eiser voerde aan dat hij geen risico vormt, zich onthoudt van drugsgebruik en dat zijn jeugdige leeftijd en omstandigheden onvoldoende zijn meegewogen. De rechtbank verwierp deze argumenten, benadrukkend dat de beoordeling los van de persoon plaatsvindt en dat het belang van de samenleving zwaarder weegt.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.