Eiser werd geconfronteerd met een terugvordering van €711,88 aan AIO-aanvulling die hij ontving over de periode van 3 mei 2016 tot en met 20 november 2016. Deze terugvordering werd ingesteld door de Sociale verzekeringsbank op grond van artikel 58, tweede lid, van de Participatiewet.
Eiser voerde aan dat de belastingschuld van zijn moeder in mindering moest worden gebracht op zijn erfenis, waardoor de overschrijding van de vermogensgrens gering was. Tevens deed hij een beroep op het vertrouwensbeginsel, stellende dat de correspondentie van verweerder ondubbelzinnige toezeggingen bevatte dat terugvordering over de eerdere periode niet zou plaatsvinden.
De rechtbank oordeelde dat de stukken van de belastingdienst uit België geen invloed hadden op de terugvorderingsperiode in geschil. Daarnaast ontbrak het aan een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging door verweerder die bij eiser gerechtvaardigde verwachtingen had gewekt. De correspondentie toonde juist aan dat de datum van intrekking en terugvordering nog vastgesteld moesten worden.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en werd geen proceskostenveroordeling toegewezen. De uitspraak werd gedaan door rechter A.E.J.M. Gielen op 11 december 2019. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.