De burgemeester van Amsterdam heeft aan het raamprostitutiebedrijf [bedrijf] een last onder dwangsom opgelegd van € 25.000,- omdat het bedrijf vermoedens van mensenhandel niet onmiddellijk bij de politie had gemeld, zoals vereist in artikel 3.30 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Deze last werd gehandhaafd in een bestreden besluit en gevolgd door een invorderingsbesluit nadat het bedrijf opnieuw niet tijdig had gemeld.
De rechtbank stelt vast dat het op ambtsbelofte opgemaakte rapport van bevindingen van de politie van 4 oktober 2017 terecht aan het besluit ten grondslag is gelegd en dat het bedrijf de APV heeft overtreden door vermoedens van mensenhandel niet direct te melden. De belangenafweging van de burgemeester wordt als zorgvuldig beoordeeld, waarbij het opleggen van een last onder dwangsom een minder ingrijpende maatregel is dan intrekking van de exploitatievergunning.
Ten aanzien van het invorderingsbesluit oordeelt de rechtbank dat het bedrijf niet tijdig aan de last heeft voldaan, maar dat bijzondere omstandigheden, waaronder een gemeentelijke pilot en toezeggingen over niet-invordering, het gerechtvaardigd vertrouwen van het bedrijf rechtvaardigen dat de dwangsom niet zou worden geïnd. Daarom wordt het invorderingsbesluit vernietigd, terwijl de last onder dwangsom in stand blijft. De burgemeester wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.