Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de meervoudige kamer van 5 maart 2020 in de zaak tussen
[eiseres] , te Amsterdam, eiseres
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
.
Rechtbank Amsterdam
Na het overlijden van de partner van eiseres werd haar een halfwezenuitkering toegekend voor haar minderjarige dochter. Door een wetswijziging in 2013 verviel deze uitkering per 1 oktober 2013. De Svb trok de uitkering in en verklaarde het bezwaar ongegrond. Eiseres stelde dat de intrekking een onevenredig zware last voor haar vormde en dat zij ongerechtvaardigd werd onderscheiden omdat zij niet gehuwd was met haar partner en daardoor geen nabestaandenuitkering ontving.
De rechtbank beoordeelde of de intrekking in strijd was met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol en oordeelde dat de nationale wetgever een ruime beoordelingsruimte heeft en dat de intrekking in het algemeen proportioneel is. De Svb had een werkinstructie opgesteld om te toetsen of sprake was van een onevenredig zware last, waarbij financiële en persoonlijke draagkracht werden onderzocht. De rechtbank vond dat de Svb voldoende individueel feitenonderzoek had gedaan en dat eiseres geen bijzondere omstandigheden had aangetoond die tot een onevenredig zware last leidden.
Verder oordeelde de rechtbank dat het onderscheid tussen gehuwden en ongehuwden gerechtvaardigd is, omdat alleen gehuwden of samenwonenden recht hebben op een nabestaandenuitkering. Ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsprocedure stelde de rechtbank vast dat de Svb hiervoor aansprakelijk was en veroordeelde zij tot een schadevergoeding van € 2.000,- en vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Het beroep van eiseres werd ongegrond verklaard en de intrekking van de halfwezenuitkering bleef in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de halfwezenuitkering wordt ongegrond verklaard en de Svb wordt veroordeeld tot vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.