Uitspraak
OVERWEGINGEN
24 maart 2008 is uit de relatie tussen appellante en wijlen [naam partner A] een zoon geboren: [naam zoon]. Appellante is als alleenstaande ouder verantwoordelijk voor de verzorging en opvoeding van [naam zoon]. Ten tijde in dit geding van belang werkte appellante in een Ests dienstverband voor (normaliter) 40 uur per week. Daarmee verdiende zij ongeveer € 340,- netto per maand. Appellante en [naam zoon] komen niet in aanmerking voor een Estse nabestaandenuitkering. Wel ontvangt appellante ten behoeve van [naam zoon] maandelijks ongeveer € 50,- Estse kinderbijslag en een tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering. Verder wordt zij volgens haar eigen verklaring financieel ondersteund door haar vader en broer.
1 oktober 2013 worden beëindigd wegens een wetswijziging. Deze brieven zijn verstuurd naar het kantooradres van mr. Klijnstra.
ANW-halfwezenuitkering van laatstelijk € 265,76 per maand per 1 oktober 2013 ingetrokken op de grond dat de paragrafen 3 en 4 van hoofdstuk III van de ANW zijn vervallen.
ANW-halfwezenuitkering met inachtneming van een overgangstermijn van zes maanden leidt tot ‘an individual and excessive burden’. In dit verband heeft de Svb erop gewezen dat, gegeven de relatief lage Estse levensstandaard, een geëxporteerde ANW-halfwezenuitkering al snel een substantieel deel uitmaakt van het totale inkomen van rechthebbenden die in Estland wonen. Volgens de Svb moet bij de beantwoording van de vraag of er in dit geding sprake is van ‘an individual and excessive burden’ zwaar wegen dat appellante 40 uur per week werkt in een regulier dienstverband en dat zij daarmee naar de maatstaven van haar woon- en werkland Estland een normaal inkomen verdient. De in acht genomen overgangstermijn van zes maanden is volgens de Svb ook voor appellante genoeg geweest om zich te kunnen instellen op de financiële gevolgen van de Wet vereenvoudiging regelingen SVB.
ANW-halfwezenuitkering in de vorm van een halfwezenkopje van (ten hoogste) 20% van het netto minimumloon geïntegreerd in de inkomensafhankelijke ANW-nabestaandenuitkering.
ANW-nabestaandenuitkering, voor betrokkenen veelal niet het karakter heeft van een financiële bodemvoorziening, maar van een aanvullende financiële tegemoetkoming in de kosten die samenhangen met het grootbrengen van kinderen. Ingevolge vaste rechtspraak van het EHRM (15 april 2014, 21838/10, Stefanetti e.a., punt 56) is beperking van de overheidsuitgaven een gerechtvaardigde doelstelling in het belang van het veiligstellen van het stelsel van sociale zekerheid en het beschermen van de nationale economie. Op grond van het voorgaande moet worden geconcludeerd dat aan het vervallen van de paragrafen 3 en 4 van hoofdstuk III van de ANW een legitieme doelstelling in het algemeen belang ten grondslag ligt.
1 januari 2015 (het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet Hervorming Kindregelingen) in aanmerking kwamen voor een verhoging van de hun toegekende
ANW-nabestaandenuitkering, en dat verzorgers van halfwezen die niet voor zo’n verhoging in aanmerking kwamen en niet genoeg inkomen of vermogen hadden om in hun levensonderhoud te voorzien, vanaf 1 oktober 2013 in een zuiver Nederlandse context in de regel recht hadden op financiële bijstand tot een vergelijkbaar minimumniveau op grond van de Wet werk en bijstand. Verder hebben de verzorgers van halfwezen aan wie geen
ANW-nabestaandenuitkering is toegekend, dikwijls een toereikend eigen of gezinsinkomen en kunnen zij soms, naast kinderbijslag en kindgebonden budget, aanspraak maken op een pleegzorgvergoeding.
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.732,50;
- bepaalt dat de Svb aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 167,- vergoedt.