ECLI:NL:RBAMS:2020:184

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 januari 2020
Publicatiedatum
16 januari 2020
Zaaknummer
13.752.083-19
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 310 SrArt. 311 SrArt. 416 SrArt. 2 OLWArt. 5 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering ondanks zorgwekkende ontwikkelingen Poolse rechtsstaat

De rechtbank Amsterdam behandelde op 16 januari 2020 een verzoek tot overlevering van een Poolse verdachte op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de rechtbank in Poznań. De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van één jaar en tien maanden, waarvan nog ruim een jaar resteert.

De verdediging voerde aan dat de onafhankelijkheid van de Poolse rechterlijke macht ernstig is aangetast door onder meer het ontslag van vele (vice-)presidenten en dat dit leidt tot een schending van het recht op een eerlijk proces. De rechtbank erkende de zorgwekkende situatie en structurele gebreken in de Poolse rechtsstaat, maar stelde dat deze algemene situatie niet zonder concrete feiten over de persoonlijke situatie van de verdachte voldoende is om overlevering te weigeren.

De rechtbank heeft de verdachte expliciet gevraagd om feiten aan te voeren die aantonen dat hij geen eerlijk proces heeft gehad of zal krijgen, maar deze heeft dit niet gedaan. Op basis hiervan concludeerde de rechtbank dat er geen zwaarwegende en op feiten berustende gronden zijn om de overlevering te weigeren. De rechtbank besloot de overlevering toe te staan, met het oog op de noodzaak om in toekomstige zaken nader te onderzoeken of er concrete risico’s zijn voor het recht op een eerlijk proces.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de verdachte aan Polen toe ondanks de zorgwekkende situatie van de Poolse rechtsstaat.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.752.083-19
RK nummer: 19/6557
Datum uitspraak: 16 januari 2020
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 14 november 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 18 september 2019 door
the Regional Court in Poznań(Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1987,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentieadres] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 2 januari 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. B.Th. Nooitgedagt, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een
judgement of the District Court in Lesznovan
30 mei 2018 met zaaknummer II K 206/18.
In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot dit vonnis heeft geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en tien maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteert volgens het EAB nog één jaar, één maand en 23 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4.Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
I.
Diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;
II.
Diefstal;
III.
Diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;
IV.
Opzetheling
5. Artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (‘Poolse
rechtsstaat’)
5.1
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft, zakelijk weergegeven, primair de weigering van de overlevering bepleit en subsidiair verzocht om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen.
Uit de voorhanden zijnde informatie blijkt dat de situatie met betrekking tot de onafhankelijkheid van Poolse rechters verslechtert. Er zijn intussen al 150 (vice-) presidenten ontslagen door de Minister van Justitie in Polen. Inwilliging van het overleveringsverzoek zal leiden tot een schending van de rechten van de opgeëiste persoon. Zonder een onafhankelijke rechter krijgen verdachten geen eerlijk proces. Dat de opgeëiste persoon al is veroordeeld doet hier niet aan af.
Desgevraagd heeft de raadsman van de opgeëiste persoon ter zitting aangegeven dat hij zich niet expliciet op het standpunt heeft gesteld dat de opgeëiste persoon geen eerlijk proces heeft gehad, omdat hij geen argumenten heeft die dit standpunt ondersteunen.
Indien de rechtbank niet tot weigering van de overlevering overgaat moeten, subsidiair, prejudiciële vragen worden gesteld over de huidige ontwikkelingen betreffende de rechterlijke onafhankelijkheid in Polen.
5.2
Standpunt van de officier van justitie
De rechtbank heeft de vragen 1 en 2 van het door haar tot dusver gehanteerde toetsingskader beantwoord en geconcludeerd dat er sprake is van structurele of fundamentele gebreken wat betreft de rechterlijke macht van Polen, die de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van Polen in gevaar brengen en die negatieve gevolgen voor alle rechterlijke instanties kunnen hebben. Thans is de beoordeling van de derde vraag (stap 3) aan de orde, maar die vraag kan nog niet worden beantwoord. Er zijn de gebruikelijke vragen gesteld aan de Poolse uitvaardigende autoriteit, maar die vragen zijn nog niet beantwoord. Om die reden wordt om aanhouding verzocht. Zodra de vragen zijn beantwoord, kan de rechtbank stap 3 beoordelen.
5.3
Oordeel van de rechtbank
5.3.1
Inleiding; overzicht jurisprudentie Poolse rechtsstaat
De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 16 augustus 2018 [1] een uitleg gegeven van het toetsingskader, dat is opgenomen in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) van 25 juli 2018 in de zaak C-216/18 PPU [2] (hierna: het arrest). De rechtbank heeft in deze uitspraak geoordeeld dat uit het arrest volgt dat drie vragen (ook wel stap 1, 2 en 3 genoemd) moeten worden beantwoord.
In vervolg daarop heeft de rechtbank bij tussenuitspraak van 4 oktober 2018 [3] vastgesteld dat sprake is van structurele of fundamentele gebreken wat betreft de rechterlijke macht van Polen, die de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van Polen in gevaar brengen en dat daardoor een reëel gevaar dreigt dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast (stap 1). Teneinde concreet en nauwkeurig te kunnen beoordelen of er in de omstandigheden van het specifieke geval zwaarwegende en op feiten berustende gronden zijn om aan te nemen dat een opgeëiste persoon na zijn overlevering het gevaar zal lopen om geen eerlijk proces te krijgen (stap 2 en stap 3), heeft de rechtbank een aantal vragen geformuleerd en de uitvaardigende justitiële autoriteit verzocht om deze te beantwoorden in het kader van de te voeren dialoog en het verstrekken van de benodigde informatie.
Bij uitspraak van 18 januari 2019 [4] is door de rechtbank geoordeeld dat zich ook met betrekking tot executie-overleveringen die zien op vonnissen die in het najaar van 2017 en later zijn gewezen, de situatie kan voordoen dat de opgeëiste persoon geen eerlijk proces heeft gehad en dat derhalve ook ten aanzien van dergelijke overleveringsverzoeken de vragen betreffende de Poolse rechtsstaat moeten worden gesteld.
Bij uitspraak van 27 september 2019 [5] heeft de rechtbank ten slotte geoordeeld dat de impact van de geconstateerde structurele gebreken op het niveau van de rechterlijke instanties die bevoegd zijn voor de procedures waaraan opgeëiste personen zullen worden onderworpen, zodanig is dat de genoemde structurele gebreken naar het oordeel van de rechtbank in alle gevallen negatieve gevolgen voor die rechterlijke instanties kunnen hebben. Om die reden heeft de rechtbank geoordeeld dat in zaken waarin de Poolse rechtsstaat een rol speelt, kan worden aangenomen dat ook aan stap 2 is voldaan. De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat een deel van de eerder gestelde vragen niet meer hoeft te worden beantwoord, tenzij zich nieuwe relevante ontwikkelingen voordoen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de vragen betreffende “Tuchtzaken en andere (disciplinaire) maatregelen” nog moeten worden gesteld in het kader van de beoordeling van vraag/stap 3, bij de beantwoording van welke vraag moet worden meegewogen wat bekend is geworden bij de beantwoording van de eerste en de tweede vraag.
5.3.2
Bespreking van de onderhavige zaak
De opgeëiste persoon is op 30 mei 2018 in Polen veroordeeld tot een vrijheidsstraf wegens het plegen van een aantal strafbare feiten. De rechtbank moet daarom beoordelen of er in de omstandigheden van het specifieke geval zwaarwegende en op feiten berustende gronden zijn om aan te nemen dat hij toen geen eerlijk proces heeft gehad.
Naar blijkt uit hetgeen onder 5.3.1 is weergegeven is het daarbij van belang dat de rechtbank ook over actuele informatie beschikt inzake de vraag of er (tucht- of disciplinaire) maatregelen zijn genomen jegens (vice-)presidenten en rechters bij de rechterlijke instantie die over de strafzaak van de opgeëiste persoon heeft geoordeeld en zo ja, wat daarvoor de aanleiding was en wat de uitkomst daarvan was. Het Openbaar Ministerie heeft hierover vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit gesteld. Deze vragen zijn vooralsnog niet beantwoord.
De informatie die tot op heden in andere overleveringsprocedures aan de rechtbank is verstrekt betreffende tuchtzaken en andere (disciplinaire) maatregelen die jegens Poolse rechters kunnen (en in sommige gevallen daadwerkelijk) worden geïnitieerd, heeft de zorgen die de rechtbank heeft over de toenemende druk waaraan de rechterlijke macht in Polen blootstaat en de impact die dit heeft op de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en (daaruit voortvloeiend) het recht op een eerlijk proces in Polen, bevestigd en versterkt.
Het vorenstaande laat echter onverlet dat het voor beantwoording van de derde vraag door de rechtbank noodzakelijk is dat de opgeëiste persoon feiten en omstandigheden aanvoert die zien op zijn persoonlijke situatie en die er toe hebben geleid dat hij - in het licht van de (voortdurende) ontwikkelingen inzake de Poolse rechtsstaat - geen eerlijk proces heeft gehad. Dergelijke feiten en omstandigheden zijn door de opgeëiste persoon niet aangevoerd, ook niet toen dit ter zitting expliciet werd gevraagd. De rechtbank hecht er aan om op te merken dat zij tot dusver in geen van de Poolse zaken is gewezen op feiten en omstandigheden die aannemelijk hebben gemaakt dat concreet sprake is van een (te verwachten) oneerlijk proces als hiervoor weergegeven onder 5.3.1.
De rechtbank ziet zich daarom voor de vraag gesteld of beantwoording van de vragen inzake tuchtzaken en andere (disciplinaire) maatregelen door de uitvaardigende justitiële autoriteit in dit geval nog noodzakelijk is voor beoordeling van de derde vraag (stap 3).
Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet het geval.
De rechtbank acht zich op grond van de informatie die in andere overleveringszaken is verstrekt thans voldoende voorgelicht over het algemene beeld van tuchtzaken en andere al dan niet disciplinaire maatregelen jegens Poolse rechters. Hoewel de beschikbare informatie zeer zorgwekkend is en de meest recente ontwikkelingen ongunstig zijn, is dit algemene beeld op zichzelf in beginsel nog onvoldoende om in concrete situaties aan te nemen dat het recht op een eerlijk proces van een opgeëiste persoon in het gedrang is geweest of zal komen. Informatie over tuchtzaken en andere (disciplinaire) maatregelen blijft van belang bij de beoordeling van vraag/stap 3, maar naar de huidige stand van zaken zal deze informatie niet zonder nadere gegevens over de persoonlijke situatie van de opgeëiste persoon die verder bijdragen aan de vrees dat zijn recht op een eerlijk proces in het geding is (geweest), ertoe kunnen leiden dat de overlevering niet wordt toegestaan. Nu de opgeëiste persoon heeft aangegeven dergelijke omstandigheden niet naar voren te kunnen brengen, is er geen reden om de beantwoording van de reeds gestelde vragen inzake tuchtzaken en andere (disciplinaire) maatregelen langer af te wachten.
Gelet hierop heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen dat er sprake is van zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat het grondrecht van de opgeëiste persoon op een onafhankelijk gerecht is geschonden en als gevolg daarvan dat zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern is aangetast, nu noch zijn persoonlijke situatie, noch de aard van de strafbare feiten waarvoor hij is veroordeeld, noch de feitelijke context die aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag ligt tot een dergelijke conclusie aanleiding geeft.
De overlevering van de opgeëiste persoon kan dan ook worden toegestaan.
5.3.3
Gevolgen voor andere overleveringszaken
Het oordeel van de rechtbank in de onderhavige zaak, heeft ook gevolgen voor andere
overleveringszaken waarin de Poolse rechtsstaat een rol speelt. De rechtbank wenst, alvorens zij besluit tot het aangaan van een nadere dialoog met de Poolse uitvaardigende autoriteit - en in dat verband tot het inwinnen van nadere informatie over (in het bijzonder) tuchtzaken en andere (disciplinaire) maatregelen -, ter zitting de opgeëiste persoon te horen over de feiten en omstandigheden die zien op zijn persoonlijke situatie die er toe kunnen leiden dan wel hebben geleid dat hij - in het licht van de ontwikkelingen inzake de Poolse rechtsstaat - geen eerlijk proces zal krijgen dan wel geen eerlijk proces heeft gehad.
Het vorenstaande laat onverlet dat de rechtbank, indien zij dit noodzakelijk acht in het licht van nieuwe ontwikkelingen inzake de Poolse rechtsstaat, nadere vragen kan stellen.

6.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 310, 311 en 416 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Regional Court in Poznań,Polen.
Aldus gedaan door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. C. Klomp en H.J. Fehmers, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. Y.M.E. Jurgens, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 16 januari 2020.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.