De rechtbank Amsterdam heeft op 13 maart 2020 uitspraak gedaan over de vordering tot overlevering van een Nederlandse verdachte aan België op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen. De verdachte wordt verdacht van medeplegen van productie en handel in synthetische drugs in de periode van september 2018 tot juli 2019.
De verdediging voerde een genoegzaamheidsverweer aan, stellende dat de rol van de verdachte onvoldoende was omschreven in het EAB. De rechtbank verwierp dit verweer, stellende dat de omschrijving voldoende duidelijkheid biedt over het strafbare feit en de betrokkenheid van de verdachte, waarbij de bewijsvoering in België dient plaats te vinden.
Verder werd de dubbele strafbaarheid van het feit bevestigd, aangezien het drugshandel betreft dat ook onder de Nederlandse Opiumwet valt. De rechtbank nam kennis van een garantie van de Belgische autoriteiten dat, indien de verdachte tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, deze straf in Nederland zal worden ondergaan.
De rechtbank overwoog ook dat een mogelijke weigeringsgrond wegens gedeeltelijke gepleegd strafbaar feit op Nederlands grondgebied op verzoek van de officier van justitie werd genegeerd vanwege belangen van een goede rechtsbedeling. Gelet op het voldoen aan alle wettelijke vereisten en het ontbreken van weigeringsgronden, werd de overlevering toegestaan.