ECLI:NL:RBAMS:2020:1848

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
13 maart 2020
Publicatiedatum
19 maart 2020
Zaaknummer
13/752131-19
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 22 OLWArt. 23 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering opgeëiste persoon aan Frankrijk ondanks detentieomstandigheden

De rechtbank Amsterdam behandelde een vordering tot overlevering van een opgeëiste persoon aan Frankrijk op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd op 13 juni 2019. De zaak betrof de beoordeling van de ontvankelijkheid van het EAB, de strafbaarheid van de feiten en de detentieomstandigheden in Frankrijk.

Tijdens de procedure kwam de rechtbank op 7 februari 2020 met een tussenuitspraak waarin het onderzoek werd geschorst vanwege een recente persverklaring van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) over mogelijke schendingen van artikel 4 van Pro het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie in Franse gevangenissen, met name in Nice en Fresnes. De verdediging voerde aan dat overlevering onaanvaardbaar was vanwege deze omstandigheden.

De rechtbank oordeelde echter dat op basis van garanties van de Franse justitiële autoriteiten de opgeëiste persoon in het arrondissement van het Hof van Amiens zal worden geplaatst, en niet in de genoemde risicogevangenissen. Er waren geen concrete aanwijzingen dat de persoon onmenselijk of vernederend behandeld zal worden. De rechtbank verwierp het verweer en concludeerde dat het EAB aan alle wettelijke eisen voldoet en geen weigeringsgronden bestaan.

Daarom werd de overlevering toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Frankrijk toe.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/752131-19
RK nummer: 13/6944
Datum uitspraak: 13 maart 2020
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 6 december 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 13 juni 2019 door de
Deputy placed with the Prosecutor General with the Court of Appeal of Amiens(Frankrijk) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren te [geboorteplaats] (Litouwen) op [geboortedag] 1985,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de [plaats detentie],
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

Zitting 24 januari 2020
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 24 januari 2020 in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. F.S. Cuperus, advocaat te Heerenveen en door een tolk in de Litouwse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd, omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
Tussenuitspraak 7 februari 2020
Na het sluiten van de zitting op 24 januari 2020 is de rechtbank op de hoogte geraakt van een
Press Releasevan het Europees Hof van de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) van
30 januari 2020 (hierna:
Press Release) op grond waarvan, naar het oordeel van de rechtbank, niet kan worden uitgesloten dat in Franse gevangenissen, waaronder in Nice en Fresnes, sprake is van een met artikel 4 van Pro het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) strijdige situatie. Op 7 februari 2020 heeft de rechtbank bij tussenuitspraak het onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd geschorst teneinde deze kwestie nader op zitting te kunnen bespreken.
Zitting 28 februari 2020
Op 28 februari 2020 heeft de rechtbank, met toestemming van partijen, het onderzoek in gewijzigde samenstelling voortgezet. Gehoord zijn de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes,
de opgeëiste persoon en zijn waarnemend raadsvrouw mr. J.J.C. Engels. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Litouwse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd, omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Tussenuitspraak 7 februari 2020

De rechtbank verwijst naar de tussenuitspraak van 7 februari 2020 waarin al is geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB, de genoegzaamheid van het EAB, de ontvankelijkheid van de officier van justitie, de strafbaarheid van de feiten en het verweer met betrekking tot de voorlopige hechtenis. Deze oordelen dienen als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van onderdeel e) van het EAB is als bijlage aan deze uitspraak gehecht, nu dit bij de tussenuitspraak van 7 februari 2020 achterwege is gebleven.

3.Detentieomstandigheden in Frankrijk

Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen. De
Press Releasegeldt niet uitsluitend voor de specifieke gevangenissen die daar worden genoemd, maar voor alle gevangenissen die zich op Frans grondgebied bevinden. Overlevering van de opgeëiste persoon naar Frankrijk is daarom strijdig met artikel 4 Handvest Pro.
Oordeel van de rechtbank
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat op basis van de garantie van
14 januari 2020 (met verduidelijking op 27 februari 2020) van de uitvaardigende justitiële autoriteit voor de opgeëiste persoon geen sprake is van een risico op schending van
artikel 4 Handvest Pro. De
Press Releaseverwijst naar een
pilot-judgementvan het EHRM betreffende een aantal specifieke gevangenissen, die zich onder meer bevinden in Nice en Fresnes. Volgens voornoemde garantie zal de opgeëiste persoon in het arrondissement van het Hof van Amiens worden geplaatst. Dit betekent dat de opgeëiste persoon niet wordt geplaatst in de gevangenissen die zich bevinden in Nice of Fresnes en ook niet in de gevangenissen waarvoor deze rechtbank eerder een algemeen gevaar heeft aangenomen.
Verder bestaan geen concrete aanknopingspunten op grond waarvan het aannemelijk is geworden dat sprake is van een reëel gevaar dat de opgeëiste persoon in Franse detentie onmenselijk of vernederend zal worden behandeld, afgemeten aan het beschermingscriterium van de door het Unierecht en met name door artikel 4 Handvest Pro gewaarborgde grondrechten. De rechtbank verwerpt het verweer.

4.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

5.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

6.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan de
Deputy placed with the Prosecutor General with the Court of Appeal of Amiens(Frankrijk).
Aldus gedaan door
mr. Ch. A. van Dijk, voorzitter,
mrs. M.T.C. de Vries en R. Godthelp, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Gigengack, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van 13 maart 2020.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.