Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.De procesgang
2.De inhoud van het verzoekschrift
- € 1.600,-vanwege de kosten van de raadsman; en
- een vergoeding van
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Amsterdam
Verzoeker werd op 30 juni 2018 aangehouden wegens verdenking van varen zonder geldig vaarbewijs. De zaak werd onvoorwaardelijk geseponeerd door het Openbaar Ministerie op 8 november 2019. Verzoeker diende tijdig een verzoek in op grond van artikel 530 Wetboek Pro van Strafvordering tot vergoeding van advocaatkosten en kosten voor het verzoekschrift.
De rechtbank heeft de zaak inhoudelijk beoordeeld en geconstateerd dat er gronden van billijkheid aanwezig zijn om de gevraagde vergoeding toe te kennen. De advocaatkosten zijn gemaakt in het kader van de strafzaak en worden onderbouwd met urenspecificaties en declaraties. Uit een toelichting van de accountant blijkt dat verzoeker deze kosten zal dragen.
Het Openbaar Ministerie verzette zich tegen toekenning van de kosten omdat niet duidelijk was dat verzoeker de kosten daadwerkelijk heeft gedragen, maar stelde zich subsidiair op het standpunt dat het bedrag kan worden toegewezen. De rechtbank oordeelde dat het verzoek aan de voorwaarden voldoet en kent een vergoeding van €1.600,- toe voor de advocaatkosten en €550,- voor de kosten van het opstellen, indienen en behandelen van het verzoekschrift.
De beschikking is op 13 maart 2020 in het openbaar uitgesproken door rechter R.C.J. Hamming. Tegen deze beslissing staat hoger beroep open binnen een maand na betekening.
Uitkomst: De rechtbank kent een vergoeding toe van €1.600 voor advocaatkosten en €550 voor kosten verzoekschrift na onvoorwaardelijk sepot.