Verzoekster ontvangt sinds 2015 een bijstandsuitkering op een adres in Amsterdam. Naar aanleiding van een anonieme tip heeft de gemeente Amsterdam onderzoek gedaan naar haar woonsituatie. Uit het onderzoek bleek dat verzoekster vanaf 26 augustus 2019 een gezamenlijke huishouding voert met de vader van haar kinderen op een ander adres in een andere plaats.
Verzoekster heeft dit niet gemeld, waardoor de gemeente de bijstand met terugwerkende kracht heeft stopgezet. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt en gevraagd om een voorlopige voorziening, stellende dat zij niet gedwongen was haar verklaring te ondertekenen en dat de conclusie van de gemeente onterecht is.
De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoekster gehouden kan worden aan haar verklaring, dat er geen aanwijzingen zijn voor dwang, en dat het onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding geldt. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het bezwaar waarschijnlijk ongegrond is.
De uitspraak is gedaan tijdens een zitting via Skype vanwege de Covid-19 crisis. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.