ECLI:NL:CRVB:2018:2110

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 juli 2018
Publicatiedatum
12 juli 2018
Zaaknummer
17-1520 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 4 PW
Verwijzingen
2 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijstandsaanvraag wegens onweerlegbaar rechtsvermoeden gezamenlijke huishouding na huwelijk

Appellante ontving bijstand als alleenstaande tot 30 september 2015, waarna het college de bijstand introk op grond van een onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding met haar ex-partner M. Dit vermoeden is gebaseerd op het feit dat zij samen op hetzelfde adres wonen en uit hun huwelijk kinderen zijn geboren. De zolderetage die appellante bewoont, wordt niet als zelfstandige woonruimte beschouwd vanwege het ontbreken van noodzakelijke voorzieningen.

Appellante heeft tegen de intrekking bezwaar gemaakt en later opnieuw bijstand aangevraagd, welke aanvraag door het college werd afgewezen met dezelfde motivering. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond, stellende dat het onweerlegbaar rechtsvermoeden van toepassing is en dat appellante geen beroep kan doen op het vertrouwensbeginsel.

In hoger beroep betoogde appellante dat zij geen gezamenlijke huishouding voert, dat de zolder een zelfstandige woonruimte is of anders een zelfstandige kamer, en dat het college haar eerder wel bijstand had verleend. De Raad oordeelde dat deze gronden onvoldoende zijn om het oordeel van de rechtbank te wijzigen. Ook indien zij als inwonend wordt beschouwd, blijft het onweerlegbaar rechtsvermoeden van toepassing omdat het hoofdverblijf in dezelfde woning is.

De Raad bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Er worden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Hoger beroep wordt afgewezen; bijstandsaanvraag wordt geweigerd wegens gezamenlijke huishouding.

Uitspraak

17.1520 PW

Datum uitspraak: 10 juli 2018
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
6 januari 2017, 16/5204 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. E. Stap, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is aan de orde gesteld op de zitting van 29 mei 2018. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontving vanaf 6 november 2014 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW).
1.2.
Appellante is tot 4 januari 1995 gehuwd geweest met [naam M] (M) en uit dit huwelijk zijn drie kinderen geboren. In de periode van 6 november 2014 tot en met 30 september 2015 stonden appellante en M ingeschreven op het adres [Adres]. Appellante bewoonde de zolderetage op de vierde verdieping van de woning op dit adres.
1.3.
Bij besluit van 7 oktober 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 december 2015, heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 30 september 2015 ingetrokken op de grond dat sprake is van een onweerlegbaar rechtsvermoeden dat appellante en M een gezamenlijke huishouding voeren. De conclusie van een op 30 september 2015 afgelegd huisbezoek is dat de zolderetage niet kan worden beschouwd als een zelfstandige woning. De noodzakelijke voorzieningen zoals water, sanitair, gas, keuken en verwarming ontbreken. Appellante en M wonen op hetzelfde adres in dezelfde woning. Appellante heeft tegen het besluit van 8 december 2015 geen rechtsmiddel aangewend.
1.4.
Appellante heeft zich op 31 mei 2016 gemeld voor het aanvragen van bijstand en op
1 juni 2016 de aanvraag ingediend. Zij heeft op het aanvraagformulier als haar adres [Adres] ingevuld en vermeld dat haar gezinssituatie is gewijzigd omdat haar relatie is verbroken.
1.5.
Bij besluit van 14 juni 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 juli 2016 (bestreden besluit) heeft het college de aanvraag van 1 juni 2016 afgewezen. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat de zolder geen zelfstandige woonruimte is, zodat appellante en M op hetzelfde adres in dezelfde woning wonen. Omdat zij eerder gehuwd zijn geweest en uit dat huwelijk kinderen geboren zijn, is sprake van een onweerlegbaar rechtsvermoeden op grond van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de PW van het bestaan van gezamenlijke huishouding tussen appellante en M.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat appellante en M een gezamenlijke huishouding voeren. Appellante en haar ex-man M hebben beiden hun hoofdverblijf op hetzelfde adres en uit hun relatie zijn kinderen geboren. Er wordt voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van het onweerlegbaar rechtsvermoeden. Dat het huwelijk tussen appellante en haar ex-man M lang geleden is ontbonden, maakt dit niet anders, nu sprake is van een gezamenlijke huishouding op grond van het bepaalde in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de PW. Appellante kan geen geslaagd beroep doen op het vertrouwensbeginsel. Dat het college appellante eerder wel bijstand heeft verleend zonder dat er een huisbezoek had plaatsgevonden, maakt niet dat zij een gerechtvaardigd vertrouwen mocht hebben dat de bijstand niet mocht worden ingetrokken en dat ook opvolgende aanvragen niet zouden worden afgewezen.
3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft betwist dat zij een gezamenlijke huishouding voert met M. Zij is al geruime tijd van M gescheiden en de zolder waar zij woont is een zelfstandige woonruimte. Mocht de zolder niet als een zelfstandige woonruimte worden beschouwd, dan meent appellante dat zij als inwonend dient te worden beschouwd en een zelfstandige kamer in gebruik heeft. Verder heeft appellante aangevoerd dat het bestreden besluit strijdig is met het vertrouwensbeginsel, omdat zij eerder onder dezelfde omstandigheden wel bijstand heeft ontvangen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellante heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel rust. Hij voegt daaraan nog toe dat appellante, ook indien zij als inwonend moet worden beschouwd en een zelfstandige kamer in gebruik heeft, haar hoofdverblijf heeft in dezelfde woning als M. Ook dan is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van het onweerlegbaar rechtsvermoeden dat sprake is van een gezamenlijke huishouding op grond van het bepaalde in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de PW.
4.2.
Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2018.
(getekend) J.N.A. Bootsma
(getekend) J. Tuit

IJ