De rechtbank Amsterdam behandelde vier zaken tegen verdachte, waarin hij werd beschuldigd van poging tot zware mishandeling, mishandeling van zijn levensgezel en belediging van politieagenten. De feiten vonden plaats tussen 2019 en 2020, grotendeels in een hotel te Amsterdam.
De rechtbank achtte de poging tot zware mishandeling op 24 januari 2020 bewezen, waarbij verdachte zijn levensgezel op de grond gooide en meermalen tegen haar hoofd en lichaam trapte. Daarnaast werden mishandelingen op 2 februari 2019 en 6 augustus 2019 bewezen verklaard. Hoewel sprake was van wederzijdse geweldsgebruik, verwierp de rechtbank het beroep op noodweer vanwege het niet voldoen aan het subsidiariteitsvereiste. Verdachte werd ook veroordeeld voor het beledigen van twee politieagenten op 28 maart 2020.
De rechtbank legde een gevangenisstraf van 6 maanden op, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Daarbij werden bijzondere voorwaarden opgelegd, waaronder reclasseringstoezicht, behandeling voor middelengebruik en psychische problematiek, een contactverbod met de levensgezel, en medewerking aan schuldhulpverlening. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot schadevergoeding.
De straf houdt rekening met de ernst van de feiten, eerdere veroordelingen van verdachte voor huiselijk geweld, en zijn persoonlijke omstandigheden zoals verslavingsgeschiedenis en psychische problematiek. De rechtbank benadrukte het belang van begeleiding en behandeling om recidive te voorkomen.