De rechtbank Amsterdam heeft op 28 mei 2020 uitspraak gedaan over een vordering tot overlevering van een persoon aan België op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de rechtbank in eerste aanleg Antwerpen. De opgeëiste persoon wordt verdacht van betrokkenheid bij de exploitatie van een wietplantage, een strafbaar feit met een maximumstraf van tien jaar volgens Belgisch recht.
De raadsman van de opgeëiste persoon voerde aan dat het EAB niet voldeed aan de formele eisen omdat de wetsartikelen niet duidelijk gekoppeld waren aan de verdenking en de maximumstraf. De rechtbank oordeelde echter dat het EAB samen met aanvullende informatie voldoende duidelijkheid bood over de aard en wettelijke kwalificatie van het strafbare feit.
Verder werd onderzocht of de detentieomstandigheden in België, mede gezien de coronapandemie, een beletsel vormden voor overlevering. De rechtbank nam kennis van een algemene garantie van de Belgische autoriteiten dat overgeleverde personen in een monocel worden geplaatst, wat voldoende bescherming biedt tegen schending van fundamentele rechten.
Gelet op het feit dat het EAB voldoet aan de wettelijke eisen en er geen weigeringsgronden zijn, heeft de rechtbank de overlevering toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.