Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2020:3014

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
27 mei 2020
Publicatiedatum
18 juni 2020
Zaaknummer
13/751135-20
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 OLWArt. 22 OLWArt. 23 OLWArt. 29 OLWArtikel 4 bis lid 1 Kaderbesluit 2002/584/JBZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering overlevering op grond van artikel 12 Overleveringswet wegens ontbreken garanties hoger beroep

De rechtbank Amsterdam behandelde op 27 mei 2020 de vordering tot overlevering van een persoon aan Portugal op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Tribunal Judicial da Comarca do Porto. De opgeëiste persoon werd verdacht van het ondergaan van een vrijheidsstraf van acht jaar en zes maanden.

De rechtbank stelde de identiteit van de opgeëiste persoon vast en onderzocht de inhoud van het EAB, waarin een vonnis van 7 maart 2017 en een herziening op 21 februari 2018 werden genoemd. De straf was definitief geworden op 1 augustus 2019. De rechtbank onderzocht of de overlevering geweigerd moest worden op grond van artikel 12 van Pro de Overleveringswet.

Uit aanvullende informatie bleek dat de opgeëiste persoon weliswaar in eerste aanleg persoonlijk was verschenen, maar niet aanwezig was bij de hogerberoepszitting, noch in persoon was gedagvaard. Zij werd vertegenwoordigd door een door de rechtbank toegewezen advocaat die niet door haar was gemachtigd. De uitspraak in hoger beroep was niet aan haar betekend en de vereiste garanties zoals genoemd in artikel 12 OLW Pro ontbraken.

De rechtbank concludeerde dat geen van de weigeringsgronden van artikel 12 OLW Pro zich voordeed, waardoor de overlevering moest worden geweigerd. Tevens stelde de rechtbank vast dat de overleveringsdetentie was beëindigd. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank weigert de overlevering van de opgeëiste persoon aan Portugal wegens ontbreken van de vereiste garanties in hoger beroep.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751135-20
RK nummer: 20/931
Datum uitspraak: 27 mei 2020
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 18 februari 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 16 januari 2020 door het
Tribunal Judicial da Comarca do Porto(Portugal) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren te [geboorteplaats] (Bulgarije) op [geboortedag] 1982,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats], locatie ‘[locatie]’,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 27 mei 2020. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon heeft bij verklaring van 25 mei 2020 afstand gedaan van haar recht om aanwezig te zijn bij de behandeling van haar zaak. Haar raadsman, mr. K. Durdu, advocaat te Rotterdam, heeft desgevraagd laten weten niet op de zitting aanwezig te zullen zijn.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Bulgaarse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis dat is uitgesproken op 7 maart 2017, herzien op 21 februari 2018 en in gewijsde gegaan op 1 augustus 2019. Referentie: 347/10.8PJPRT.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van acht jaren en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

De rechtbank is - met de officier van justitie - van oordeel dat de weigeringsgrond van artikel
12 OLW van toepassing is, zodat de overlevering moet worden geweigerd. Zij overweegt daartoe als volgt.
In onderdeel d) van het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen op het proces dat tot de beslissing heeft geleid.
Uit aanvullende informatie van de Portugese autoriteiten blijkt dat de opgeëiste in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis van 7 maart 2017 van het
Tribunal Judicial da Comarca do Portoheeft geleid. Tegen dat vonnis is hoger beroep ingesteld. Op 21 februari 2018 heeft
the Court of Appeal of Portouitspraak gedaan en de straf aangepast. Die uitspraak is op 10 mei 2019 bevestigd door
the Supreme Court of Justice. Uit de aanvullende informatie blijkt verder dat
the Supreme Court of Justicede in hoger beroep opgelegde straf heeft bevestigd en geen oordeel heeft gegeven over de feiten.
Als de strafprocedure meer instanties heeft omvat en tot opeenvolgende beslissingen heeft geleid, is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis Pro, lid 1, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW Pro, voor zover bij die laatste beslissing definitief uitspraak is gedaan over de schuld van de betrokkene en aan hem of haar een straf is opgelegd, nadat de zaak in feite en in rechte ten gronde is behandeld (zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 augustus 2017, C‑270/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:628 (Tupikas)).
De rechtbank stelt vast dat een inhoudelijke behandeling in hoger beroep heeft plaatsgevonden. Het vonnis in eerste aanleg is daarom niet relevant voor de toetsing of aan de vereisten van artikel 4 bis Pro Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW Pro is voldaan.
Uit de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon niet aanwezig was bij de zitting in hoger beroep en dat zij niet in persoon voor die zitting is gedagvaard. Zij werd vertegenwoordigd door een door de rechtbank toegewezen advocaat. De opgeëiste persoon heeft deze advocaat niet gemachtigd om namens haar op te treden. De uitspraak in hoger beroep is niet aan de opgeëiste persoon betekend. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft niet de in artikel 12, onder d, OLW bedoelde garantie gegeven.
Nu zich geen van de omstandigheden van artikel 12 onder Pro a tot en met d OLW heeft voorgedaan, moet de overlevering op grond van dit artikel worden geweigerd.

5.Toepasselijke wetsbepalingen

Artikel 12 Overleveringswet Pro.

6.Beslissing

WEIGERTde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan het
Tribunal Judicial da Comarca do Porto(Portugal).
STELT VASTdat de overleveringsdetentie is beëindigd.
Aldus gedaan door
mr. J.A.A.G. de Vries, voorzitter,
mrs. A.W.C.M. van Emmerik en V.V. Essenburg, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. N.M. van Trijp, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 27 mei 2020.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.