ECLI:NL:RBAMS:2020:3409

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
7 juli 2020
Publicatiedatum
10 juli 2020
Zaaknummer
13/751200-20
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 12 OLWArt. 22 OLW
Verwijzingen
15 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks verweer artikel 12 Overleveringswet

De rechtbank Amsterdam behandelde op 7 juli 2020 een vordering tot overlevering van een opgeëiste persoon aan Polen op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten. De opgeëiste persoon werd verdacht van het medeplegen van mishandeling en er rustte een onherroepelijke vrijheidsstraf van één jaar en één maand op, waarvan nog zeven maanden en 21 dagen resteren.

De verdediging voerde aan dat op grond van artikel 12 Overleveringswet Pro de overlevering moest worden geweigerd, omdat het hoger beroep tegen het vonnis onterecht niet-ontvankelijk was verklaard zonder inhoudelijke behandeling, wat het recht op een eerlijk proces zou schenden. De rechtbank stelde vast dat het hoger beroep inderdaad niet-ontvankelijk was verklaard zonder inhoudelijke behandeling, waardoor de eerste aanleg de enige instantie was die over schuld en straf heeft geoordeeld.

De rechtbank verwierp het verweer omdat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro niet van toepassing is in deze situatie. Tevens oordeelde de rechtbank dat het fundamentele recht op een eerlijk proces, zoals gewaarborgd in artikel 47 van Pro het Handvest van de Europese Unie, niet was geschonden. Er waren geen concrete aanwijzingen dat de Poolse rechtsstaat tekort was geschoten in deze zaak.

Gelet op het voldoen aan de voorwaarden van de Overleveringswet en het ontbreken van weigeringsgronden, besloot de rechtbank de overlevering toe te staan. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toe.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751200-20
RK nummer: 20/2397
Datum uitspraak: 7 juli 2020
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 14 mei 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 10 februari 2020 door de
Sąd Okręgowy w Szczecinie (Regional Court in Szczecin ), Polen, en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1989,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats detentie] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 23 juni 2020. Het verhoor heeft, via telehoren, plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is bijgestaan door mr. J.J. Veldheer, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een
final and binding decision of the District Court Szczecin – Centre in Szczecin (Sądu Rejonowego Szczecin – Centrum w Szczecinie )van 16 maart 2018 (referentienummer: IV K 1348/17 ), onherroepelijk op 4 oktober 2018 .
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en één maand. Van deze straf resteren volgens het EAB nog zeven maanden en 21 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
3.1
Toepassing van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich, zakelijk weergegeven, op het standpunt gesteld dat de overlevering van de opgeëiste persoon dient te worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW Pro. Uit het EAB blijkt dat er een procedure in hoger beroep heeft plaatsgevonden die de onherroepelijkheid van het vonnis met zich heeft meegebracht, waarmee definitief uitspraak is gedaan over de mate van schuld en de hoogte van de straf van de opgeëiste persoon. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij de behandeling in hoger beroep. De aanwezigheid van uitzonderingsgronden die voortvloeien uit artikel 12 OLW Pro is niet aannemelijk geworden.
Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de zaak dient te worden aangehouden om nadere informatie op te vragen bij de Poolse autoriteiten omtrent de procedure in hoger beroep. Niet alleen is dit relevant in het licht van artikel 12 OLW Pro, maar ook in verband met de Poolse rechtsstaat en het grondrecht op een eerlijk proces.
De raadsman heeft ter onderbouwing van zowel zijn primaire als zijn subsidiaire standpunt onder meer verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank van 27 mei 2020 (ECLI:NL:RBAMS:2020:3014).
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLW Pro niet aan de overlevering van de opgeëiste persoon in de weg staat. Nu in het EAB is beschreven dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is verklaard zonder dat het hof kennis heeft genomen van de inhoud van het dossier in de strafzaak, heeft er geen behandeling plaatsgevonden waarbij de vraag omtrent de mate van schuld of de hoogte van de straf van de opgeëiste persoon aan de orde is gekomen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat wanneer een strafprocedure meer instanties heeft omvat en tot opeenvolgende beslissingen heeft geleid, de laatste van die beslissingen relevant is voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis Pro, lid 1, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW Pro, voor zover bij die laatste beslissing definitief uitspraak is gedaan over de schuld van de betrokkene en aan hem of haar een straf is opgelegd, nadat de zaak in feite en in rechte ten gronde is behandeld (zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 augustus 2017, C‑270/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:628 (
Tupikas)).
Op pagina 3 tot en met 4 van het EAB staat met betrekking tot het hoger beroep tegen het vonnis van de opgeëiste persoon met referentienummer IV K 1348/17 het volgende beschreven:
By virtue of the decision of the 4th October 2018 the Regional Court in Szczecin (…) left the admitted appeal of the public prosecutor against the judgement of the District Court Szczecin (…) without cognizance, in consideration of the inadmissibility of the appeal by virtue of the law.
Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat
the Regional Court in Szczecinop 4 oktober 2018 het hoger beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard, zonder van dit hoger beroep kennis te nemen (
‘without cognizance’). Dit betekent dat uitsluitend de rechter in eerste aanleg heeft geoordeeld over de mate van schuld en de hoogte van de straf van de opgeëiste persoon in het vonnis met referentienummer IV K 1348/17 . De omstandigheid dat het EAB is uitgevaardigd door het
Regional Courtmaakt dit niet anders. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro is dan ook, anders dan in de uitspraak waar de raadsman naar verwijst, niet van toepassing.
Nu de rechtbank van oordeel is dat er geen sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 12 OLW Pro, ziet de rechtbank ook geen aanleiding om aanvullende vragen te stellen aan de uitvaardigende autoriteit.
De rechtbank verwerpt het verweer.

4.Strafbaarheid

4.1.
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien wordt voldaan aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
medeplegen van mishandeling.

5.Artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest)

Onder verwijzing naar de uitspraak van 12 juni 2020 [1] is de rechtbank van oordeel dat het fundamentele recht op een eerlijk proces van de opgeëiste persoon dat voortvloeit uit artikel 47 van Pro het Handvest ten tijde van zijn veroordeling op 16 maart 2018 niet in het gedrang is geweest. In voornoemde uitspraak van 12 juni 2020 is geoordeeld dat de recente ontwikkelingen in Polen niet maken dat niet langer van het beoordelingskader of de eerder getrokken conclusies uit de uitspraken van 16 januari 2020 [2] kan worden uitgegaan. Het is daarom aan de opgeëiste persoon om aan te tonen dat er concrete aanwijzingen zijn dat zijn recht op een eerlijk proces in Polen is geschonden. Er zijn door of namens de opgeëiste persoon geen omstandigheden omtrent zijn persoonlijke situatie naar voren gebracht waaruit zou blijken dat zijn recht op een eerlijk proces destijds in het geding is geweest.
Gelet hierop kan de rechtbank niet vaststellen dat er sprake is van zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat het grondrecht van de opgeëiste persoon op een onafhankelijk gerecht is geschonden en dat als gevolg daarvan zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern is aangetast, nu noch zijn persoonlijke situatie, noch de aard van de strafbare feiten waarvoor hij is veroordeeld, noch de feitelijke context die aan het EAB ten grondslag ligt tot een dergelijke conclusie aanleiding geeft.

6.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro en er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 47 en 300 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5 en 7 van de Overleveringswet.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan de
Sąd Okręgowy w Szczecinie (Regional Court in Szczecin ), Polen.
Aldus gedaan door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. J.A.A.G. de Vries en M.E.M. James-Pater, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Gigengack, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 7 juli 2020.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rechtbank Amsterdam 12 juni 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:2936.
2.Zie o.a. Rechtbank Amsterdam 16 januari 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:184.