De rechtbank Amsterdam behandelde een vordering van de officier van justitie tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten tegen een opgeëiste persoon geboren in 1996.
Na meerdere zittingen en schorsingen, mede vanwege ontwikkelingen binnen de Poolse rechtsstaat en de noodzaak tot zorgvuldige beoordeling, stelde de officier van justitie op de zitting van 16 juni 2020 dat zij niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat het EAB was ingetrokken door de Poolse autoriteiten.
De rechtbank stelde vast dat met de intrekking van het EAB de grondslag voor de vordering was komen te vervallen en volgde het standpunt van de officier van justitie. De rechtbank verklaarde de officier van justitie niet-ontvankelijk en stelde vast dat de geschorste overleveringsdetentie was beëindigd. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.