ECLI:NL:RBAMS:2020:3625

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
30 april 2020
Publicatiedatum
23 juli 2020
Zaaknummer
13-042456-20
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel van 1.250 euro

De rechtbank Amsterdam behandelde op 30 april 2020 de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van 1.250 euro in een strafzaak tegen de veroordeelde.

De officier van justitie stelde dat het wederrechtelijk verkregen voordeel voortkwam uit twee diefstallen: een alleen gepleegde diefstal met een voordeel van 500 euro en een gezamenlijke diefstal met een voordeel van 1.500 euro, waarvan de helft aan de veroordeelde toekwam, totaal 1.250 euro. De raadsman van de veroordeelde verzocht afwijzing van deze vordering.

De rechtbank stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op 1.250 euro, maar hield rekening met een gedeeltelijke toewijzing van de schadevergoeding aan de benadeelde partij van 2.300 euro, waaronder de bedragen van 500 en 1.500 euro. Deze schadevergoeding werd in mindering gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel, waardoor de vordering van de officier van justitie werd afgewezen.

De rechtbank wees de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af en deed dit vonnis in aanwezigheid van de genoemde rechters en griffier.

Uitkomst: De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van 1.250 euro wordt afgewezen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13.042456.20 (ontneming)
Datum uitspraak: 30 april 2020
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13.042456.20, tegen:
[veroordeelde],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,
wonende op het adres [adres],
gedetineerd te: Justitieel Complex [te plaats],
hierna te noemen
veroordeelde.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie mr. J.H. van der Meij, en van wat de raadsman van veroordeelde, mr. E. El Assrouti, advocaat te Amsterdam, (telefonisch) naar voren heeft gebracht tijdens het onderzoek op de terechtzitting van 30 april 2020.

2.De vordering

De vordering van de officier van justitie van 19 februari 2020 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 1.250,-.
Op de terechtzitting van 30 april 2020 heeft de officier van justitie haar vordering gewijzigd in die zin dat zij heeft verzocht deze slechts dan toe te wijzen indien de rechtbank in de strafzaak de vordering van de benadeelde partij niet toewijst.

3.Grondslag van de vordering

[veroordeelde] is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 30 april 2020 ter zake van de volgende strafbare feiten veroordeeld:
diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak
en
diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak
en
diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

4.Het wederrechtelijk verkregen voordeel

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De weggenomen bedragen van 500, euro en 1.500,- euro leveren in totaal 2.000,- euro wederrechtelijk verkregen voordeel op. Aannemelijk is dat veroordeelde de eerste diefstal alleen heeft gepleegd en daar 500,- euro wederrechtelijk verkregen voordeel uit heeft. De tweede diefstal is door veroordeelde samen met de mededader gepleegd. De opbrengst van deze diefstal moet door beide daders worden gedeeld, waardoor veroordeelde uit dit feit een wederrechtelijk verkregen voordeel heeft van 750,- euro. Dit brengt het totale wederrechtelijk verkregen voordeel op
1.250,- euro.
4.2.
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft verzocht de vordering van de officier van justitie af te wijzen.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op een bedrag van 1.250,- euro. De rechtbank heeft in de strafzaak de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk, tot een bedrag van 2.300,- euro toegewezen. Deze schadevergoeding ziet onder meer op de weggenomen bedragen van 500,- euro en 1.500,- euro. Dit bedrag wordt in mindering gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel. Daarom moet de vordering van de officier van justitie worden afgewezen.

5.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Wijst af de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit vonnis is gewezen door
mr. P.P.C.M. Waarts, voorzitter,
mrs. J.P.W. Helmonds, J.M.R. Vastenburg rechters
in tegenwoordigheid van mr. J.G.R. Becker griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 april 2020.