ECLI:NL:RBAMS:2020:4113

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 augustus 2020
Publicatiedatum
20 augustus 2020
Zaaknummer
13/751493-20
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 4 Handvest van de Grondrechten van de Europese UnieArt. 3 EVRM
Verwijzingen
13 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks detentiebezwaren

De rechtbank Amsterdam behandelde op 6 augustus 2020 de vordering tot overlevering van een Chinese verdachte aan België op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) van 3 juni 2020. De verdachte werd verdacht van medeplegen van een gewapende inbraak met mishandeling in Zoersel, België. De verdediging voerde aan dat de feitsomschrijving in het EAB onvoldoende was en dat de detentieomstandigheden in België onveilig waren, mede door de coronacrisis.

De rechtbank oordeelde dat het EAB voldoende duidelijkheid bood over het strafbare feit en dat de rol van de verdachte in het EAB adequaat was omschreven. De onschuldverweer van de verdachte werd verworpen omdat dit in deze procedure niet tot weigering van overlevering leidt. Ten aanzien van de detentieomstandigheden concludeerde de rechtbank, op basis van objectieve en betrouwbare gegevens en een garantie van de Belgische autoriteiten, dat er geen reëel gevaar bestond voor onmenselijke of vernederende behandeling, mede doordat overgeleverde personen in een mono-cel worden geplaatst.

De rechtbank besloot daarom de overlevering toe te staan. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk. Hiermee werd voldaan aan de vereisten van de Overleveringswet en het specialiteitsbeginsel, en werd rekening gehouden met de bescherming van fundamentele rechten volgens het Handvest van de EU.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de verdachte aan België toe op grond van het EAB.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751493-20
RK nummer: 20/2959
Datum uitspraak: 20 augustus 2020
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 19 juni 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 3 juni 2020 door de Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren te [geboorteplaats] (China) op [geboortedag] 1993,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres],
gedetineerd in Justitieel Complex [plaats],
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 6 augustus 2020. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van zijn recht om (via telehoorverbinding) op de zitting aanwezig te zijn. Zijn raadsman, mr. A. Dogan, advocaat te Rotterdam, heeft verklaard uitdrukkelijk gemachtigd te zijn om namens de opgeëiste persoon het woord te voeren. De raadsman heeft ook verklaard dat hij kort voorafgaand aan de zitting met de opgeëiste persoon heeft gebeld en dat de opgeëiste persoon heeft gezegd afstand te doen van zijn aanwezigheidsrecht. De rechtbank heeft geen afstandsverklaring ontvangen.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Chinese nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een aanhoudingsmandaat bij verstek uitgevaardigd op
3 juni 2020 door de onderzoeksrechter bij de Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Belgisch recht strafbaar feit.
Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
3.1.
Genoegzaamheid
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat de feitsomschrijving niet genoegzaam is, omdat de rol van de opgeëiste persoon bij het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht onvoldoende in het EAB staat beschreven. Het aantreffen van mobiele data van gesprekken die mogelijk zijn gevoerd, is onvoldoende om als bewijs te dienen dat de opgeëiste persoon het feit zou hebben begaan. Tevens wordt in het EAB niet duidelijk omschreven wat de verdenking inhoudt, waardoor het voor de opgeëiste persoon onvoldoende duidelijk is waarvan hij in België wordt verdacht.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer van de raadsman moet worden verworpen. De feitsomschrijving is genoegzaam. Op basis van het EAB is het voldoende duidelijk voor welk strafbaar feit de overlevering wordt gezocht.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de OLW geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.
Naar het oordeel van de rechtbank is met de omschrijving in het EAB - mede in aanmerking genomen dat sprake is van een overlevering in het kader van een strafrechtelijk onderzoek -voldoende duidelijk waarvoor de overlevering wordt verzocht. Uit het EAB blijkt namelijk dat de overlevering wordt verzocht voor het medeplegen van een inbraak in een woning in de nacht van 22 op 23 maart 2020 in Zoersel, België, waarbij de bewoners met wapens zijn bedreigd en twee van de bewoners zijn mishandeld. De rechtbank acht de in het EAB opgenomen feitsomschrijving genoegzaam. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.
Hierbij merkt de rechtbank op dat - volgens vaste jurisprudentie van deze rechtbank - de uitvaardigende justitiële autoriteit alleen de vermeende betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij het strafbare feit duidelijk moet maken. Vermelding van de gronden van de verdenking is niet vereist. Het is niet aan deze rechtbank om te toetsen of er voldoende gronden zijn voor de beschreven verdenking. De vraag in hoeverre de opgeëiste persoon voorts bij het feit betrokken is geweest, is een bewijskwestie die in de Belgische strafprocedure aan de orde dient te worden gesteld.
De rechtbank overweegt ten overvloede dat de feitsomschrijving er niet toe dient om de opgeëiste persoon tot het voeren van een onschuldverweer in staat te stellen (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RBAMS:2010:BN7964).

4.Strafbaarheid: feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 18, te weten:
Georganiseerde of gewapende diefstal.
Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar Belgisch recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5.Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan het feit. Hij zou de slachtoffers en de in België aangehouden verdachte niet kennen. De opgeëiste persoon heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet direct kunnen aantonen. De onschuldbewering kan dan ook niet leiden tot weigering van de overlevering.

6.Detentieomstandigheden

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat sterk getwijfeld moet worden aan de veiligheid van gedetineerden in de Belgische gevangenissen en dat mogelijk artikel 4 Handvest Pro van de Grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) en artikel 3 van Pro het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens worden geschonden. Verder is onduidelijk wat de detentieomstandigheden zijn tijdens de huidige coronacrisis. Daarom dient de behandeling van de zaak te worden aangehouden teneinde de uitvaardigende autoriteit in de gelegenheid te stellen aanvullende vragen te beantwoorden over de detentieomstandigheden waarin de opgeëiste persoon na overlevering zal worden geplaatst.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft aangevoerd dat de Belgische autoriteiten de garantie hebben gegeven dat uit Nederland overgeleverde personen vanwege het coronavirus in België apart worden gedetineerd in een zogenaamde ‘mono-cel’. Er bestaat geen algemeen reëel gevaar dat personen die in België zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend worden behandeld. De overlevering kan worden toegestaan.
Oordeel van de rechtbank
Gelet op het arrest van het Europese Hof van Justitie inzake Aranyosi en Căldăraru van
5 april 2016 (C-404/15 en C-659/15 PPU, r.o. 88 en 89, ECLI:EU:C:2016:198) is de rechterlijke autoriteit van de uitvoerende lidstaat, wanneer zij bewijzen heeft dat er in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend worden behandeld, verplicht om te beoordelen of dit gevaar in geval van overlevering voor de opgeëiste persoon aanwezig is. De tenuitvoerlegging van een dergelijk bevel mag immers niet leiden tot onmenselijke of vernederende behandeling van die persoon, afgemeten aan het beschermingscriterium van de door het Unierecht en met name door artikel 4 van Pro het Handvest gewaarborgde grondrechten. Hiertoe dient de uitvoerende rechterlijke autoriteit zich allereerst te baseren op objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentieomstandigheden die heersen in de uitvaardigende lidstaat en die kunnen duiden op gebreken die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken, hetzij bepaalde detentiecentra betreffen. Deze gegevens kunnen met name blijken uit internationale rechterlijke beslissingen, zoals de arresten van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, uit rechterlijke beslissingen van de uitvaardigende lidstaat en uit besluiten, rapporten en andere documenten die zijn opgesteld door de organen van de Raad van Europa of die tot het systeem van de Verenigde Naties behoren.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het verweer van de raadsman geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens bevat op grond waarvan de rechtbank zou moeten afwijken van haar eerder uitgezette lijn, te weten dat uit de beschikbare gegevens over de algemene detentieomstandigheden in België niet blijkt van een reëel gevaar voor onmenselijke of vernederende behandeling zoals bedoeld in artikel 4 van Pro het Handvest (zie onder meer: Rechtbank Amsterdam 24 december 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:10055).
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de uitvaardigende autoriteit per e-mail de algemene garantie heeft gegeven dat vanuit Nederland aan de Belgische justitiële autoriteiten in Antwerpen overgeleverde personen in België in een mono-cel worden geplaatst. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om het onderzoek te schorsen om aanvullende vragen te stellen aan de uitvaardigende autoriteit. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

7.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

8.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan de onderzoeksrechter bij de Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen (België).
Aldus gedaan door
mr. Ch.A van Dijk, voorzitter,
mrs. M.E.M. James-Pater en M. Snijders Blok-Nijensteen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.P.F. Sneeboer, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 20 augustus 2020.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.