Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding van 18 december 2018;
- de conclusie van antwoord in conventie, conclusie van eis in reconventie ;
- het tussenvonnis van 27 november 2019, waarbij een mondelinge behandeling is bevolen,;
- conclusie van antwoord in reconventie tevens akte vermeerdering van eis in conventie, ingekomen op 15 januari 2020;
- akte uitlating vermeerdering van eis en uitlaten producties van de zijde van de man, ingekomen op 11 februari 2020;
- akte overleggen producties van de zijde van de vrouw, ingekomen op 6 maart 2020;
- akte inhoudende wijziging van eis/inbreng producties ten behoeve van de comparitie van de zijde van de man, ingekomen op 10 maart 2020;
- aanvullende producties van de zijde van de vrouw, ingekomen op 16 juni 2020;
- het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 30 juni 2020.
2.De feiten
Hierbij verklaar ik; [gedaagde] De manDe man (…), dat [eiseres] De vrouw financieel mede eigenaar is van het kadastergoed de [schip gedaagde] en wel te weten voor 11/75e deel van € 750.000. Tevens verklaar ik dat zij juridisch eigenaar is voor 50% van dat zelfde vastgoed. Dit is vastgesteld op basis van haar wens welke zij geuit heeft tijdens het mediation traject volgend op de geplande scheiding 1-1-2014.
3.Het geschil
in conventie
4.De beoordeling in conventie
De [schip gedaagde]
5.De beoordeling in reconventie
Gebruiksvergoeding/ vergoeding van kosten [schip gedaagde] /kosten van de huishouding
6.De beslissing
377.000,00 (driehonderdzevenenzeventig duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag met ingang van datum dagvaarding tot de dag van volledige betaling,