De rechtbank Amsterdam behandelde de vordering van het Openbaar Ministerie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een veroordeelde die was veroordeeld voor diefstal van een wisselkluis met een inhoud van €2.000. De diefstal werd gepleegd door twee daders, waardoor het voordeel werd verdeeld.
De officier van justitie stelde dat ieder van de daders minimaal €1.000 aan wederrechtelijk verkregen voordeel had genoten. De raadsman van de veroordeelde betwistte de hoogte van het bedrag en stelde dat het niet aannemelijk was dat de wisselkluis daadwerkelijk €2.000 bevatte.
De rechtbank achtte de verklaring van de aangever, die consistent was en aannemelijk geacht werd gezien het restaurant waar de wisselkluis stond, voldoende betrouwbaar. Op grond hiervan werd het voordeel vastgesteld op €2.000, gedeeld door twee daders, wat resulteerde in een bedrag van €1.000.
De rechtbank legde de verplichting op aan de veroordeelde om dit bedrag aan de Staat te betalen, conform artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. De beslissing werd genomen na beoordeling van de bewijsmiddelen, waaronder proces-verbaal van aangifte en bevindingen.