Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2020:5327

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
30 oktober 2020
Publicatiedatum
3 november 2020
Zaaknummer
13/751681-20
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 2 OpiumwetArt. 3 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 11 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overlevering aan Noorwegen toegestaan wegens strafbaar feit op grond van Opiumwet

De rechtbank Amsterdam behandelde op 16 oktober 2020 de vordering tot overlevering van een verdachte aan Noorwegen op grond van een aanhoudingsbevel van 6 augustus 2020. De verdachte, een Nederlandse staatsburger zonder vaste verblijfplaats in Nederland, wordt verdacht van een strafbaar feit volgens Noors recht, te weten illegale handel in verdovende middelen.

De rechtbank stelde vast dat het Noorse Openbaar Ministerie als uitvaardigende justitiële autoriteit (UJA) kan worden aangemerkt en dat het aanhoudingsbevel voldoet aan de vereisten van de Overeenkomst tussen de EU, IJsland en Noorwegen. De dubbele strafbaarheid werd niet onderzocht omdat het feit op de lijst van artikel 3, vierde lid, van de Overeenkomst staat. De strafbaarheid naar Nederlands recht werd bevestigd, waarbij het handelen in strijd met diverse bepalingen van de Opiumwet werd vastgesteld.

De rechtbank accepteerde de garantie van Noorwegen dat bij veroordeling de straf in Nederland kan worden uitgezeten conform het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen. Het verweer van de raadsman dat het aanhoudingsbevel in het Nederlands moet worden vertaald werd verworpen, aangezien Nederland ook een Engelse vertaling aanvaardt.

Gelet op het ontbreken van weigeringsgronden en het voldoen aan alle wettelijke vereisten, besloot de rechtbank de overlevering toe te staan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte aan Noorwegen toe.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751681-20
RK nummer: 20/3827
Datum uitspraak: 30 oktober 2020
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 3, eerste lid, van de Wet houdende uitvoering van de op 28 juni 2006 te Wenen tot stand gekomen Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen betreffende de procedures voor overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie en IJsland en Noorwegen (Uitvoeringswet) jo. artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank.
Deze vordering dateert van 13 augustus 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd op 6 augustus 2020 door
the National authority for prosecution of organized and other serious crime of Oslo(Noorwegen). Het aanhoudingsbevel strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1957,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
uit anderen hoofde gedetineerd in de [detentieplaats] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 16 oktober 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon, aanwezig via een videoverbinding, is bijgestaan door zijn raadsman, mr. B.W. Newitt, advocaat te Amsterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 3 Uitvoeringswet Pro jo. artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het aanhoudingsbevel

In het aanhoudingsbevel wordt melding gemaakt van een
arrest warrant of the Oslo Courthousevan 6 augustus 2020, referentienummer: 20-109353ENE-OTIR/04.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Noors recht strafbaar feit.
Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het aanhoudingsbevel. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4.Uitvaardigende justitiële autoriteit

De rechtbank verwijst naar haar uitspraak van 4 augustus 2020 (ECLI:NL:RBAMS:2020:3894) waarin zij heeft geoordeeld dat het Noorse Openbaar Ministerie (
the National authority for prosecution of organized and other serious crime) voldoet aan de vereisten om als een “uitvaardigende rechterlijke autoriteit” in de zin van artikel 2, lid 5, van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen betreffende de procedures voor overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie en IJsland en Noorwegen (Overeenkomst) te worden aangemerkt en dus als uitvaardigende justitiële autoriteit in de zin van artikel 1, onder e, OLW.

5.Strafbaarheid

Feit vermeld op de lijst in artikel 3, vierde lid, Overeenkomst
Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst in artikel 3, vierde lid, Overeenkomst, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Volgens de in rubriek c) van het aanhoudingsbevel vermelde gegevens is op dit feit naar Noors recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

6.De garantie als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder 3 van de Overeenkomst

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Gelet op artikel 7, op de verklaring die namens Nederland op grond van deze bepaling is afgelegd en op artikel 8, aanhef en onder 3 van de hiervoor genoemde Overeenkomst kan zijn overlevering daarom alleen worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van het feit waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende staat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan en dat deze straf met toepassing van artikel 11 Verdrag Pro inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983 (
Trb. 1983, 74, hierna VOGP) zal kunnen worden omgezet.
In het aanhoudingsbevel (onderdeel f) heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende garantie gegeven:
“Norway refers to the notification and declarations that have been presented by the Netherlands under Article 38 of the Agreement of 28 June 2006 between the European Union and the Republic of Iceland and the Kingdom of Norway on the surrender procedure between the Member States of the European Union and Iceland and Norway, Article 7 (2). As stated in Article 7 (2), a Dutch citizen can be handed over to Norway if Norway issues a guarantee that the person sought in accordance with the Convention of the Transfer of Sentenced Persons, concluded on 21 March 1983 in Strasbourg, will be transferred back to the Netherlands in order to serve their sentence there after following the procedure referred to in Article 11 of the Convention, if a non-suspended custodial sentence or a detention order has been passed against them after surrender. Norway guarantees that this will be done.”
Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.
Uit artikel 3, eerste lid, aanhef onder e, VOGP volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien het feit ook naar Nederlands recht een strafbaar feit oplevert.
Aan deze voorwaarde is voldaan.
Het feit is inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en levert op:
Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, aanhef en onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.
Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, aanhef en onder B, van de Opiumwet gegeven verbod.
Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.
Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder B, van de Opiumwet gegeven verbod.

7.Overige verweren

De raadsman heeft – zakelijk weergegeven – betoogd dat het aanhoudingsbevel op grond van artikel 11, tweede lid, Overeenkomst moet worden vertaald in het Nederlands. Niet kan worden volstaan met een Engelse vertaling. Engels is geen officiële taal van Nederland. De vordering van de officier van justitie dient daarom te worden afgewezen, althans de behandeling daarvan dient te worden aangehouden om daarin alsnog te voorzien.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het verweer niet kan slagen. De rechtbank is van oordeel dat de tekst van artikel 11, tweede lid, Overeenkomst niet dwingt tot de door de raadsman voorgestane lezing. Artikel 11, tweede lid, Overeenkomst luidt: “Het aanhoudingsbevel wordt vertaald in de officiële taal of in een van de officiële talen van de uitvoerende staat. Elke overeenkomstsluitende partij kan, bij de sluiting van deze overeenkomst of op een later tijdstip, een verklaring afleggen met de strekking dat een vertaling in een of meer andere officiële talen van een staat wordt aanvaard.” Nederland heeft een dergelijke verklaring afgelegd en heeft verklaard dat een aanhoudingsbevel in de Nederlandse dan wel in de Engelse taal wordt aanvaard. [1] Het Engels is een officiële taal van een staat, zij het niet van de uitvoerende staat.

8.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het aanhoudingsbevel voldoet aan de in de Overeenkomst en Uitvoeringswet gestelde vereisten en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

9.Toepasselijke wetsartikelen

Artikel 47 Wetboek Pro van Strafrecht, de artikelen 2, 3, 10 en 11 Opiumwet, de artikelen 1 en 3 Wet houdende uitvoering van de op 28 juni 2006 te Wenen tot stand gekomen Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen betreffende de procedures voor overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie en IJsland en Noorwegen en de artikelen 3, 5, 7, 8, 11 en 20 Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen betreffende de procedures voor overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie en IJsland en Noorwegen.

10.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the National authority for prosecution of organized and other serious crimeof
Oslo(Noorwegen).
Aldus gedaan door
mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,
mrs. M. van Mourik en J.H. Beestman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. T. Smit, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 30 oktober 2020.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Pag. 50