ECLI:NL:RBAMS:2020:5361

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
3 november 2020
Publicatiedatum
5 november 2020
Zaaknummer
13/751841-19
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 SrArt. 311 SrArt. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel wegens georganiseerde diefstal

De rechtbank Amsterdam behandelde op 20 oktober 2020 de vordering tot overlevering van een persoon aan Duitsland op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Amtsgericht Osnabrück. De opgeëiste persoon, met de Nederlandse nationaliteit, werd verdacht van georganiseerde of gewapende diefstal volgens Duits recht, waarvoor een vrijheidsstraf van minimaal drie jaar kan worden opgelegd.

De verdediging voerde aan dat de terugkeergarantie, verstrekt door het Duitse Openbaar Ministerie, onvoldoende was omdat deze autoriteit niet aan de onafhankelijkheidseisen voldoet die het Hof van Justitie van de EU stelt. De rechtbank oordeelde echter dat het Kaderbesluit 2002/584/JBZ ruimte biedt om de terugkeergarantie door een andere autoriteit dan de rechterlijke uitvaardiger te laten geven en dat de garantie voldoende is.

De rechtbank stelde vast dat de feiten ook onder Nederlands recht strafbaar zijn en dat er geen weigeringsgronden voor overlevering aanwezig zijn. Op grond hiervan werd de overlevering toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Duitsland toe.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751841-19
RK nummer: 20/3902
Datum uitspraak: 3 november 2020
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 17 augustus 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 6 juni 2019 door het
Amtsgericht Osnabrück(Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren te [geboorteplaats] (Joegoslavië) op [geboortedag] 1953,
verblijvende op het adres:
[adres],
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [locatie te plaats],
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 20 oktober 2020. Het verhoor heeft, via telehoren, plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.J.M. Bommer, advocaat te Rotterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel van het
Amtsgericht Osnabrückvan 18 juli 2018 (referentienummer: 246 Gs 248/18).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten.
Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4.Strafbaarheid, feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 18, te weten:
georganiseerde of gewapende diefstal.
Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op elk van deze feiten naar Duits recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.
Het
Staatsanwaltschaft Osnabrückheeft bij brief van 15 oktober 2020 de volgende garantie gegeven:
I hereby assure you that should the prosecuted person receive a non-appealable and non-suspended prison sentence after he has been extradited from the Netherlands, he shall be transferred to the Netherlands so that the prison sentence can be served there pursuant to the COUNCIL FRAMEWORK DECISION 2008/909/JHA of 27 November 2008 on the application of het principle of mutual recognition of judgements in criminal matters imposing custodial sentences or measures involving a deprivation of liberty for the purpose of their enforcement in the European Union.
5.1
Standpunt van de verdediging
De raadsman van de opgeëiste persoon heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering van de opgeëiste persoon dient te worden geweigerd, nu de terugkeergarantie is verstrekt door een officier van justitie. Het Duitse Openbaar Ministerie is niet bevoegd om een EAB uit te vaardigen, nu deze autoriteit niet voldoet aan de eisen van onafhankelijkheid die het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie) stelt. Het is daarom onduidelijk of deze autoriteit garant kan staan voor de terugkeer van de opgeëiste persoon naar Nederland.
5.2
Oordeel van de rechtbank
Uit artikel 5, punt 3 van Kaderbesluit 2002/584/JBZ [1] volgt dat de garantie wordt gegeven door de “uitvaardigende lidstaat”. Die bepaling geeft de lidstaten dus de ruimte om de bevoegdheid tot het verstrekken van een terugkeergarantie op te dragen aan een andere autoriteit dan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit. Van die ruimte heeft Duitsland gebruik gemaakt. Daarbij merkt de rechtbank op dat de eisen van onafhankelijkheid van een uitvaardigende justitiële autoriteit die door het Hof van Justitie zijn benoemd in het arrest van 27 mei 2019 (
OG en PI) [2] zien op het uitvaardigen van een EAB en niet op het verstrekken van een terugkeergarantie.
Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.
Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.
Aan deze voorwaarde is voldaan.
De feiten zijn inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:
poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels;
diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd,
en:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd.

6.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

7.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 45 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan het
Amtsgericht Osnabrück(Duitsland).
Aldus gedaan door
mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,
mrs. J.A.A.G. de Vries en H.G. van der Wilt, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Gigengack griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 3 november 2020.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten.
2.Hof van Justitie van de Europese Unie 27 mei 2019, C-508/18 en C-82/19 PPU, ECLI:EU:C:2019:456 (