ECLI:NL:RBAMS:2020:5663

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 november 2020
Publicatiedatum
18 november 2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3339
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbWet beheer rijkswaterstaatswerken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens te late indiening beroepschrift tegen wijzigingsbesluit vergunning Ionity

Fastned B.V. heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Infrastructuur en Waterstaat waarbij de vergunning van Ionity GmbH is gewijzigd. De minister heeft het bezwaar van Fastned ongegrond verklaard, waarna Fastned beroep instelde bij de rechtbank Amsterdam.

De kern van het geschil betreft de vraag of het beroepschrift tijdig is ingediend binnen de wettelijke termijn van zes weken na bekendmaking van het besluit. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit op 7 mei 2019 is bekendgemaakt, waardoor de termijn eindigde op 18 juni 2019.

Fastned betoogde dat het beroepschrift op 18 juni 2019 op de post is gedaan, ondersteund door verklaringen van gemachtigde en kantoorgenoten. De rechtbank acht deze verklaringen onvoldoende onderbouwd en stelt vast dat de poststempel op de enveloppe 19 juni 2019 vermeldt, wat na het verstrijken van de termijn is.

Op grond van de Awb wordt aangenomen dat het beroepschrift op de dag van het poststempel is verzonden, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat het eerder is verzonden. Fastned heeft dit niet aannemelijk gemaakt, waardoor het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.

De rechtbank ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling en wijst erop dat tegen deze uitspraak hoger beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep van Fastned wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening van het beroepschrift.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 19/3339

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

de besloten vennootschap Fastned B.V. te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. L.P.W. Mensink),
en

de minister van Infrastructuur en Waterstaat, verweerder

(gemachtigde: mr. K.E. Haan).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:
gesellschaft mit beschränkter Haftung Ionity GmbH, te München (Duitsland)
(gemachtigde: [naam 1] ).
Partijen worden hierna Fastned, de minister en Ionity genoemd.

Procesverloop

Bij besluit van 9 oktober 2018 (het primaire besluit) heeft de minister de vergunning van Ionity op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken gewijzigd.
Bij besluit van 7 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van Fastned ongegrond verklaard.
Fastned heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2020. Fastned is vertegenwoordigd door [naam 2] , bijgestaan haar gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam 3] . Namens Ionity zijn gemachtigde en [naam 4] verschenen.

Overwegingen

1. Voor het indienen van een beroepschrift geldt op grond van artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een termijn van zes weken. Deze termijn begint op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Een beroepschrift is op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen.
2. De dagtekening van het bestreden besluit is 7 mei 2019. Dit betekent dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift is geëindigd op 18 juni 2019.
3. Fastned heeft op de zitting betoogd dat gemachtigde het bestreden besluit op 9 mei 2019 heeft doorgestuurd. Fastned stelt dat het dus goed zou kunnen dat het bestreden besluit op 8 mei 2019 bekend is gemaakt. Fastned heeft deze stelling niet onderbouwd. Bovendien is de stelling tegenstrijdig met eerdere schriftelijke verklaringen van Fastned, waarin Fastned bevestigde dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde op 18 juni 2019. De rechtbank stelt daarom vast dat het bestreden besluit op 7 mei 2019 bekend is gemaakt.
4. De rechtbank heeft het beroepschrift op 20 juni 2019 ontvangen. Op de poststempel op de enveloppe staat de datum 19 juni 2019.
5. Wanneer het beroepschrift (aangetekend of niet-aangetekend) met de gewone post (PostNL) wordt verstuurd, is het bij ontvangst na het einde van de termijn op grond van artikel 6:9, tweede lid, van de Awb onder voorwaarden ook tijdig ingediend. Die voorwaarden zijn dat het beroepschrift op de laatste dag van de termijn op de post is gedaan én het niet later dan een week na afloop van de termijn bij de rechtbank is ontvangen. Als op de enveloppe een leesbaar poststempel is geplaatst, neemt de rechtbank in beginsel aan dat het beroepschrift op die dag op de post is gedaan. De rechtbank wijkt alleen van dit uitgangspunt af als de indiener van het beroepschrift aannemelijk maakt dat het op een eerdere datum op de post is gedaan.
6. Fastned betoogt dat zij het beroepschrift op 18 juni 2019 heeft verstuurd. Zij heeft ter onderbouwing een verklaring van de gemachtigde van Fastned en twee verklaringen van kantoorgenoten van de gemachtigde van Fastned overgelegd. Gemachtigde van Fastned geeft aan dat hij op 18 juni 2019 heeft geprobeerd het beroepschrift bij een kantoorboekhandel aangetekend te verzenden, maar dat die kantoorboekhandel al gesloten was. Toen is de gemachtigde van Fastned naar een brievenbus van PostNL gegaan. De brievenbus bleek nog niet geleegd. De gemachtigde van Fastned heeft toen het beroepschrift in die brievenbus gedaan.
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Fastned niet aannemelijk gemaakt dat de gemachtigde van Fastned het beroepschrift op 18 juni 2019 heeft verstuurd. De verklaringen worden namelijk niet ondersteund door objectieve gegevens. Dit heeft als gevolg dat de rechtbank de poststempel als uitgangspunt blijft houden en het beroepschrift dus te laat is ingediend. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat bij die uitkomst geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.F. de Lemos Benvindo, voorzitter, en mr. J.H.M. van de Ven en mr. D. Sullivan, leden, in aanwezigheid van mr. M.L. Pijpers, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
griffier
de voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State