Eiser heeft bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam exploitatievergunningen aangevraagd voor passagiersvervoer met meerdere bedrijfsvaartuigen. Deze aanvragen werden afgewezen op grond van een vergunningstop die was vervangen door de Regeling uitgifteronde 2022, waarin een specifieke aanvraagperiode is vastgesteld.
Eiser voerde aan dat zijn aanvragen beoordeeld hadden moeten worden op basis van het oude beleid, omdat de vergunningstop door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State onverbindend was verklaard. Tevens stelde hij dat het college hem niet had geïnformeerd over het nieuwe beleid, wat in strijd zou zijn met de Dienstenrichtlijn. Daarnaast wees eiser op de lange duur van de vergunningstop en het uitstel van in gebruik nemen van vergunningen, wat financiële schade veroorzaakt.
De rechtbank oordeelde dat het ex-nunc beginsel geldt, waardoor het college het besluit moest baseren op het op dat moment geldende beleid, namelijk de Regeling uitgifteronde 2022. De rechtbank verwierp het verweer dat een uitzondering op dit beginsel gemaakt had moeten worden. Ook vond de rechtbank dat de Regeling 2022 niet onredelijk of onverbindend is en dat het college niet willekeurig heeft gehandeld. Het uitstel van vergunningverlening tot 2024 werd als niet onredelijk beoordeeld.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.