ECLI:NL:RVS:2020:722
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing exploitatievergunningen passagiersvervoer door vergunningstop en Regeling 2022
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees op 20 juni 2018 de aanvragen van Rederij Amsterdam voor exploitatievergunningen voor drie bedrijfsvaartuigen af vanwege een vergunningstop die op 13 juni 2017 was ingesteld. Deze vergunningstop was bedoeld om nieuw beleid te formuleren en de strijdigheid met de Dienstenrichtlijn te herstellen. De rechtbank verklaarde de beroepen van Rederij Amsterdam ongegrond en bevestigde de vergunningstop.
Rederij Amsterdam stelde in hoger beroep dat de Regeling uitgifteronde 2022, die de vergunningstop verving, onverbindend, rechtsonzeker en onrechtmatig was. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de regeling een redelijke belangenafweging bevat, gericht op het beheersen van de drukte en overlast op het water en het waarborgen van gelijke kansen voor aanvragers. De regeling is tijdgebonden en voorziet in een transparante verdeling van vergunningen.
Verder werd geoordeeld dat de bevoegdheid van het college om de regeling vast te stellen niet in strijd is met artikel 156 van Pro de Gemeentewet en dat het college niet buiten zijn bevoegdheid is getreden door de regeling als algemeen verbindend voorschrift vast te stellen. De Afdeling verwierp ook het betoog dat de afwijzingen onvoldoende waren gemotiveerd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van Rederij Amsterdam wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de exploitatievergunningen bevestigd.