ECLI:NL:RBAMS:2020:5847
Rechtbank Amsterdam
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot opheffing executoriaal bankbeslag wegens beslagvrije voet
Eiser vordert opheffing van een executoriaal bankbeslag gelegd op zijn betaalrekening wegens vermeend misbruik van recht en onrechtmatigheid, omdat het beslag feitelijk een verkapt loonbeslag zou betreffen zonder rekening te houden met de beslagvrije voet. De beslagvrije voet is bedoeld om de beslagene in staat te stellen in zijn eerste levensbehoeften te voorzien.
De rechtbank stelt vast dat het beslag is gelegd op een banksaldo en niet rechtstreeks op de periodieke uitkering, waardoor strikt genomen de wettelijke beslagvrije voet niet van toepassing is. Desondanks kan een dergelijk beslag onrechtmatig zijn indien het wordt gebruikt om de beslagvrije voet te omzeilen, waardoor de schuldenaar onvoldoende middelen overhoudt.
In deze zaak is onvoldoende aannemelijk geworden dat eiser geen andere vermogensbestanddelen heeft of dat het beslag de beslagvrije voet frustreert. Diverse aanwijzingen, zoals verklaringen van eiser zelf en bankafschriften, wijzen op mogelijke andere inkomsten en vermogen, waaronder geld van ouders en mogelijk tegoeden in het buitenland. Ook is het beslag gelegd nadat de uitkering was ontvangen, wat wijst op het ontbreken van opzet om de beslagvrije voet te omzeilen.
De rechtbank concludeert dat geen sprake is van misbruik van bevoegdheid of onrechtmatigheid door gedaagde. De vordering tot opheffing van het bankbeslag wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot opheffing van het executoriaal bankbeslag wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.