Eiser ontving in 2015 studiefinanciering en werd geconfronteerd met een terugvordering van €1.725,08 omdat hij volgens de minister meer had bijverdiend dan toegestaan. De minister berekende het toetsingsinkomen door de winst uit onderneming te herleiden tot maandbedragen door deze te delen door twaalf, conform artikel 3.17 Wsf.
Eiser betwistte deze systematiek en stelde dat de winst alleen aan de periode juni tot en met december 2015 had moeten worden toegerekend, omdat hij de studiefinanciering vanaf juni had stopgezet. De rechtbank oordeelde dat de wetgever bewust heeft gekozen voor de verdeling over twaalf maanden en dat deze berekeningswijze wordt bevestigd door eerdere jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep.
De rechtbank vond dat de regeling duidelijk is en dat de door eiser aangevoerde onduidelijkheid in de voorlichtingsbrochure niet opgaat. Omdat eiser de bijverdiengrens heeft overschreden, is de terugvordering terecht vastgesteld. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser heeft geen recht op vergoeding van proceskosten.