De rechtbank Amsterdam behandelde een vordering tot overlevering op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten. De verdachte wordt verdacht van meerdere strafbare feiten volgens het Poolse recht. De rechtbank onderzocht de identiteit en de strafrechtelijke grondslag van het EAB en beoordeelde de dubbele strafbaarheid van de feiten.
De rechtbank stelde vast dat er sprake is van structurele en fundamentele gebreken in de Poolse rechterlijke macht die het recht op een eerlijk proces in gevaar kunnen brengen. Dit leidde tot een toetsingskader met drie stappen, waarbij de rechtbank concludeerde dat de structurele gebreken ook op het niveau van de betrokken rechterlijke instanties negatieve gevolgen kunnen hebben.
Echter, de verdachte en zijn raadsvrouw konden geen individuele omstandigheden aandragen die concreet aantonen dat de verdachte een oneerlijk proces zal krijgen. De rechtbank vond dat zonder dergelijke persoonlijke feiten geen reden bestaat om de overlevering te weigeren. De rechtbank besloot daarom dat de overlevering toegestaan kan worden, ondanks de zorgwekkende algemene situatie in Polen.
De rechtbank benadrukte dat de informatie over disciplinaire maatregelen tegen Poolse rechters relevant blijft, maar dat zonder concrete aanwijzingen over de persoonlijke situatie van de verdachte dit niet leidt tot een verbod op overlevering. De uitspraak is definitief en staat geen gewoon rechtsmiddel tegen open.