ECLI:NL:RBAMS:2020:6105

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
5 november 2020
Publicatiedatum
8 december 2020
Zaaknummer
13-751220-17
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22 OLWArt. 23 OLWKaderbesluit 2002/584/JBZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid officier van justitie wegens onjuiste uitvaardiging Europees aanhoudingsbevel

De zaak betreft een vordering van de officier van justitie tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Duitse Openbaar Ministerie. De opgeëiste persoon, met Nederlandse nationaliteit, werd vertegenwoordigd door een raadsman tijdens de zittingen.

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon vastgesteld en de procedure gevolgd waarbij de termijn voor uitspraak meerdere malen werd verlengd. In een tussenuitspraak werd het onderzoek geschorst om aanvullende informatie te verkrijgen over de tenuitvoerlegging van de straf.

Uiteindelijk oordeelde de rechtbank dat het EAB niet rechtsgeldig was omdat het niet was uitgevaardigd door een rechterlijke autoriteit zoals vereist onder het Kaderbesluit 2002/584/JBZ. Gelet op relevante arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie werd de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

Uitkomst: De officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard omdat het Europees aanhoudingsbevel niet door een rechterlijke autoriteit is uitgevaardigd.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751220-17
RK-nummer: 18/7917
Datum uitspraak: 5 november 2020
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van Pro de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 9 november 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 18 juli 2018 door het
Staatsanwaltschaft Köln(Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1989,
wonende op het adres: [adres],
hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 4 januari 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel.
De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. Y. Bouchikhi, advocaat te Utrecht.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
Bij tussenuitspraak van 18 januari 2019 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en geschorst, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen te informeren of, bij weigering van de executieoverlevering op grond van artikel 6 lid 2 jo Pro lid 5 OLW, de daadwerkelijke overname van de tenuitvoerlegging van de straf gegarandeerd is.
Het onderzoek is hervat op de openbare zitting van 5 november 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal.
De opgeëiste persoon heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn raadsman, mr. Y. Bouchikhi, Advocaat te Utrecht.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Ontvankelijkheid van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat zij niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering, nu het EAB is uitgevaardigd door een Duits Openbaar Ministerie, niet zijnde een rechterlijke autoriteit als bedoeld in het Kaderbesluit 2002/584/JBZ.
De rechtbank verenigt zich, gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese unie van 27 mei 2019 in de zaken C-508/18 (zaak OG) en C-82/19 (zaak PI), met het standpunt van de officier van justitie en zal haar niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

4.Beslissing

VERKLAARTde officier van justitie
NIET-ONTVANKELIJKin haar vordering van 9 november 2018 tot het in behandeling nemen van het EAB.
Aldus gedaan door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. M.E.M. James-Pater en R.J. Bartels, rechters,
in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 5 november 2020.
De jongste rechter is buiten staat te tekenen.