De zaak betreft een vordering van de officier van justitie tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Duitse Openbaar Ministerie. De opgeëiste persoon, met Nederlandse nationaliteit, werd vertegenwoordigd door een raadsman tijdens de zittingen.
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon vastgesteld en de procedure gevolgd waarbij de termijn voor uitspraak meerdere malen werd verlengd. In een tussenuitspraak werd het onderzoek geschorst om aanvullende informatie te verkrijgen over de tenuitvoerlegging van de straf.
Uiteindelijk oordeelde de rechtbank dat het EAB niet rechtsgeldig was omdat het niet was uitgevaardigd door een rechterlijke autoriteit zoals vereist onder het Kaderbesluit 2002/584/JBZ. Gelet op relevante arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie werd de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.