Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
het Amtsgericht Tiergarten(Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
1.Procesgang
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
3.Grondslag en inhoud van het EAB
Amtsgericht Tiergartenuitgevaardigd arrestatiebevel.
4.Ne bis in idem: standpunten van partijen
ne bis in idem’vanwege een eerdere veroordeling in Iran kan niet slagen. Het betreft namelijk een veroordeling door een derde land en dat betekent dat de rechtbank op grond van artikel 4, vijfde lid van het Kaderbesluit als uitvoerende rechterlijke autoriteit moet beoordelen of de gestelde veroordeling door (in dit geval) Iran voor wederzijdse erkenning in aanmerking komt op grond van een op verdragen en rechtspraktijk gebaseerd wederzijds vertrouwen. De rechtbank dient artikel 9, eerste lid, onder e) van de OLW buiten toepassing te laten. Met Iran bestaat geen actieve rechtshulprelatie en de diplomatieke kanalen met Iran zijn gesloten. Verder zijn er grote verschillen tussen het juridische systeem in de Europese lidstaten en het juridische systeem in Iran, met name ten aanzien van de waardering van mensenrechten. Van voornoemd vertrouwen in het Iraanse rechtssysteem is dan ook geen sprake en van erkenning van het Iraanse strafrechtelijke vonnis inclusief de gevolgde procedure evenmin. Ditzelfde geldt voor de in Iran toegepaste amnestieregeling. Dat betekent dat de veroordeling in Iran niet aan Duitsland kan worden tegengeworpen als grond voor de weigering van de tenuitvoerlegging van het Duitse overleveringsverzoek.
ne bis in idemsituatie als bedoeld in
ne bis in idemgeen onderscheid wordt gemaakt tussen een onherroepelijke berechting in een lidstaat en een onherroepelijke berechting in een derde staat, mag geen reden zijn voor het toestaan van de overlevering. Het Kaderbesluit geeft een discretionaire bevoegdheid aan de lidstaten. Uit het Kaderbesluit blijkt dat lidstaten vrij zijn om overlevering te weigeren als sprake is van een onherroepelijke berechting en volledig ondergane straf in een derde lidstaat. Van deze bevoegdheid heeft de Nederlandse wetgever gebruik gemaakt door in de OLW te bepalen dat de overlevering moet worden geweigerd indien sprake is van een onherroepelijke berechting en volledig ondergane straf in een derde land. Nederland heeft aldus gebruik gemaakt van de ruimte die het Kaderbesluit geeft. De rechter kan hier niet van afwijken.
7 september 2020 bestreden.
5.Heropening onderzoek in verband met een prejudiciële verwijzing
Stb. 2004, 195, zoals laatstelijk gewijzigd bij wet van 22 februari 2017,
Stb. 2017, 82 (OLW) zet de bepalingen van het Kaderbesluit om.
5), die in Iran niet als afzonderlijk strafbaar feit aan de opgeëiste persoon ten laste is gelegd. De vrijheidsberoving van de levensgezellin (feit
5) maakt materieel echter wel onderdeel uit van de beschrijving van de poging tot moord op de levensgezellin (feit
1), zoals blijkt uit de in overweging 5.2.2. opgenomen samenvatting van de feitsomschrijving.
3 en 6is hij in Iran – uiteindelijk – onherroepelijk vrijgesproken.
1, 2 en 4(en andere feiten die hier niet ter zake doen) is hij in Iran – uiteindelijk – onherroepelijk veroordeeld. Van de gevangenisstraffen die – uiteindelijk – aan de opgeëiste persoon in Iran zijn opgelegd voor de feiten waarvoor hij onherroepelijk is veroordeeld, hoefde hij naar het recht van die staat alleen de zwaarste straf te ondergaan, te weten een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren en zes maanden. Van deze straf heeft de opgeëiste persoon het grootste deel uitgezeten. Het restant van deze straf is hem kwijtgescholden in het kader van een door de Opperste Leider van Iran uitgevaardigde algemene amnestieregeling ter gelegenheid van de 40ste verjaardag van de islamitische revolutie.
4veroordeeld tot betaling van een “Diya” aan [naam] (zijn voormalige levensgezellin), waarvan later werd beslist dat hij deze in verband met onbemiddeldheid niet in één keer behoefde te betalen, maar waarbij een aanbetaling van 200.000.000 Rial diende te worden gedaan, waarna maandelijkse termijnbetalingen van 2% van de “Diya” zouden moeten plaatsvinden. Nadat de aanbetaling en de eerste termijnbetaling waren voldaan, is de opgeëiste persoon in Iran op 5 mei 2019 in vrijheid gesteld. Op 7 september 2020 is in Iran een aanhoudingsbevel uitgevaardigd omdat verdere termijnbetalingen niet zijn gedaan.
1, 2 en 4), hangt ervan of voldaan is aan de voorwaarde dat de in Iran opgelegde straf “reeds is ondergaan” of “niet meer voor tenuitvoerlegging of verdere tenuitvoerlegging vatbaar is” in de zin van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder e, van de OLW.
3 en 6).
5, waarvoor de opgeëiste persoon niet afzonderlijk in Iran is vervolgd, hangt ervan af of dit feit zodanig samenhangt met de feiten waarvoor hij in Iran onherroepelijk is veroordeeld, dat sprake is van hetzelfde “feit” in de zin van artikel 9, eerste lid, van de OLW.
facultatieveweigering van de overlevering. [1]
1 t/m 6) waarop de weigeringsgrond van toepassing is. Daargelaten de stellingen van de officier van justitie omtrent het ontbreken van iedere vertrouwensrelatie tussen Nederland en Iran, geldt dat de feiten op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat zouden zijn begaan. Bovendien bevat het Duitse recht waarborgen voor een persoon die na een tweede vervolging voor dezelfde feiten opnieuw wordt veroordeeld.
contra legemzou zijn. Het ligt derhalve in de rede om te oordelen dat hetzelfde geldt voor artikel 9, eerste lid, aanhef en onder d en e, van de OLW. Toch is het antwoord op de vraag of de Nederlandse bepaling inderdaad een incorrecte omzetting vormt nog steeds van belang voor de ruimte die de rechtbank heeft om aan de andere onderdelen van die bepaling een kaderbesluitconforme uitleg te geven.
5hangt immers – onder meer – af van het antwoord op de vraag of de vrijheidsberoving van de levensgezellin, waarvan de opgeëiste persoon in Duitsland wordt verdacht, en de poging tot moord op zijn levensgezellin, waarvoor hij in Iran is veroordeeld, dezelfde feiten betreffen.
Mantello, [2] dat betrekking heeft op de uitleg van hetzelfde begrip in artikel 3, aanhef en onder 2, van het Kaderbesluit. [3] Het arrest
Mantelloverwijst voor die uitleg naar het arrest
Van Esbroeck, [4] dat betrekking heeft op de uitleg van het begrip “dezelfde feiten” in artikel 54 SUO Pro.
in een staat die geen lid is van de Europese Unie.
ne bis in idembeginsel ziet op gevallen waarin de betrokkene “in de Unie” al onherroepelijk is vrijgesproken van of veroordeeld voor hetzelfde strafbare feit en geldt dus niet voor gevallen waarin die vrijspraak of veroordeling heeft plaatsgevonden in een derde land.
andere lidstaat van de Europese Unie“impliceert” het transnationale
ne bis in idem-beginsel “dat de lidstaten wederzijds vertrouwen hebben in hun respectieve strafrechtssystemen en dat elke lidstaat de toepassing van het in de andere lidstaten geldende strafrecht aanvaardt, ook indien zijn eigen strafrecht tot een andere oplossing zou leiden”. [6] Een dergelijk vertrouwen geldt niet ten opzichte van
derde landen. Het beginsel van wederzijds vertrouwen kan niet zonder meer worden toegepast op een derde staat. [7]
ne bis in idem-beginsel. Dat beginsel dient immers te voorkomen “dat een persoon die gebruikmaakt van zijn recht op vrij verkeer, voor dezelfde feiten wordt vervolgd op het grondgebied van meerdere lidstaten”. [8] Dat doel heeft dus geen betrekking op derde landen.
Mantelloen
Van Esbroeck, dan is dit van betekenis voor de vraag of de rechtbank de overlevering kan toestaan voor feit
5.
1, 2 en 4) en voor feit
5voor zover sprake is van “dezelfde feiten”. Valt een dergelijke maatregel niet onder de tenuitvoerleggingsvoorwaarde, dan moet de rechtbank de overlevering voor die feiten toestaan.