ECLI:NL:RBAMS:2020:6732
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Veroordeling voor onderbemanning garnalenkotter zonder bevoegde plaatsvervangend schipper
Op 1 oktober 2019 voer verdachte met zijn garnalenkotter op de Waddenzee zonder dat de functie van plaatsvervangend schipper werd vervuld door een bevoegd bemanningslid. De verdediging voerde aan dat het vaarbevoegdheidsbewijs van de medeverdachte, gebaseerd op het diploma S VII, voldoende was voor de functie, mede door een overgangsregeling. De officier van justitie stelde dat het vaarbevoegdheidsbewijs vóór 1 april 2019 was afgegeven en dus niet voldeed aan de nieuwe eisen, waaronder het bezit van het Marcom-B certificaat.
De rechter oordeelde dat de medeverdachte niet voldeed aan de formele eisen en dat de kotter daarmee onderbemand was. Het verweer dat sprake zou zijn van onaanvaardbare rechtsongelijkheid tussen mossel- en garnalenvissers werd verworpen, omdat de uitzonderingsregeling voor mosselvissers een rechtvaardiging kent. Ook ontbrak het aan materiële wederrechtelijkheid, omdat de wet formele eisen stelt aan bemanning voor veiligheid.
Verdachte werd strafbaar verklaard en veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke geldboete van € 1.000 met een proeftijd van twee jaar, mede gezien eerdere veroordelingen, genomen maatregelen en de financiële situatie door de coronapandemie.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke geldboete van € 1.000 wegens varen met onderbemande garnalenkotter.