8.3.Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich op één dag schuldig gemaakt aan een winkeloverval – die uiteenvalt in een diefstal met (bedreiging met) geweld en een afpersing – en een poging tot een winkeloverval. In beide gevallen heeft verdachte zijn hand op zo’n wijze in zijn jaszak gestopt dat het leek alsof hij een vuurwapen bij zich had. Bovendien heeft hij daarbij zijn hand tegen een van de slachtoffers aan geduwd waardoor deze dacht een vuurwapen te voelen. Ook heeft verdachte gedreigd hen neer te schieten als ze niet zouden doen wat hij hen opdroeg. De rechtbank rekent verdachte met name de uitgekiende handelwijze en de angst die de slachtoffers daardoor hebben gevoeld, zeer aan. Weliswaar is niet gebleken dat verdachte een vuurwapen bij zich droeg, maar gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden heeft verdachte zijn slachtoffers de indruk willen geven dat dit wel degelijk het geval was. Dat hij hierin is geslaagd, volgt uit de aangiftes van de overval op de apotheek, waarin de slachtoffers hebben verklaard dat zij heel bang waren en vreesden dat het niet goed zou aflopen als ze de bevelen van verdachte niet zouden opvolgen. De aangeefster van het GWK heeft verklaard dat zij vooral verbaasd was, maar dat ook door haar hoofd heen schoot dat verdachte een wapen had.
Verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten en heeft een grove inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers. Het is algemeen bekend dat een (winkel)overval grote gevolgen heeft voor een slachtoffer en dat een slachtoffer vaak nog lang last heeft van deze (psychische) gevolgen.
Feiten zoals deze behoren tot een categorie strafbare feiten die een ernstige inbreuk maken op de rechtsorde en gevoelens van onveiligheid en onrust in de samenleving veroorzaken.
Verdachte heeft in het buitenland een fors strafblad opgebouwd en grote delen van zijn leven in detentie gezeten. Met name uit het strafblad van verdachte van 8 augustus 2019 uit [land van herkomst] volgt dat verdachte meermalen tot langdurige gevangenisstraffen is veroordeeld voor verschillende vermogensdelicten, waaronder een aantal diefstallen met gebruik van (bedreiging met) geweld of wapens. De rechtbank weegt deze buitenlandse documentatie van verdachte als strafverzwarend mee.
Daarnaast blijkt uit het strafblad van verdachte van 8 augustus 2019 uit België dat verdachte op 15 januari 2019 is veroordeeld wegens twee diefstallen met gebruik van (bedreiging met) geweld of wapens. Beide feiten hebben op 25 oktober 2018 – een dag nadat verdachte in Nederland de onder 1 en onder 2 bewezen geachte feiten heeft gepleegd – plaatsgevonden. Aan de omstandigheid dat verdachte blijkens het uittreksel van 1 mei 2019 in Nederland een blanco strafblad heeft, kent de rechtbank geen gewicht toe omdat verdachte volgens eigen zeggen nog maar kort voor deze feiten in Nederland was en ook niet is gebleken dat hij hier eerder heeft verbleven.
Verder heeft de rechtbank acht geslagen op de Pro Justitia rapportage van psychiater J. Marx van 18 november 2019 en op de Pro Justitia rapportage van GZ-psycholoog R.S. Turk van
7 november 2019. In beide rapportages komt naar voren dat verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, te weten een stoornis in het gebruik van middelen. Echter, zowel de psychiater als de psycholoog hebben geschreven dat niet met zekerheid kan worden aangenomen dat deze stoornis de gedragingen van verdachte ten tijde van de bewezen geachte feiten heeft beïnvloed. De psycholoog heeft in dit kader vermeld dat de gedragingen van verdachte niet de indruk wekken dat verdachte niet wist wat hij deed. De psychiater heeft opgemerkt dat twijfels bestaan over de door verdachte gepresenteerde symptomen, omdat hij hier wisselde uitspraken over doet.
Daarnaast heeft de psychiater vermeld dat verdachte heeft verklaard dat hij last heeft van visuele en (soms) akoestische hallucinaties. Verdachte weet dat de hallucinaties niet daadwerkelijk bestaan, maar heeft verklaard dat hij toch soms gehoor geeft aan de opdrachten die stemmen hem geven. De psychiater heeft de indruk dat sprake is van een opportunistisch belang: verdachte geeft vooral gehoor aan de stemmen als zij hem opdragen iemand te beroven. Daarnaast blijkt volgens de psychiater uit de rapportage van het penitentiair psychiatrisch ziekenhuis dat verdachte naar behoren functioneert. Van een verstoord realiteitsbesef of ander psychotisch toestandsbeeld is geen sprake. Daarom twijfelt de psychiater aan de door verdachte gepresenteerde (psychotische) symptomen. Daarbij komt dat de psycholoog een symptoomvalidatietest heeft afgenomen. De score van verdachte (32 bij een
cutoffscore van 17) versterkt het vermoeden dat verdachte zijn klachten simuleert of overdrijft. De psychiater heeft geconcludeerd dat een psychotische stoornis niet kan worden aangetoond.
Gelet op het voorgaande hebben beide deskundigen geen advies gegeven met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid.
De rechtbank ziet, gelet op de conclusies in de aangehaalde rapportages, geen aanleiding verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren. Hierbij weegt de rechtbank ook haar indruk van verdachte ter terechtzitting mee. Desgevraagd verklaarde verdachte in eerste instantie dat hij zich in het geheel niets kon herinneren van wat op 24 oktober 2018 zou hebben plaatsgevonden. Echter, toen verdachte vervolgens werd bevraagd over het door verdachte volgens aangevers jegens hen gepleegde geweld, wist hij zeker dat bepaalde details van het geweld zoals het wegduwen, vastpakken en tegen de borst drukken, zich niet hadden voorgedaan en kon hij de feiten – ook de omstandigheden waarover al vragen waren gesteld – wel weer voor de geest te halen. De rechtbank herkent hierin het opportunistisch belang als genoemd door de psychiater. Gelet op deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte volledig toerekeningsvatbaar moet worden verklaard.
Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op een rapport van de reclassering van
7 januari 2020. Omdat de psychiater en psycholoog niet hebben geadviseerd over een behandeling en daaruit voortvloeiend strafrechtelijk kader, ziet de reclassering geen mogelijkheid verdachte te ondersteunen, begeleiden of behandelen. Daarom adviseert de reclassering verdachte te veroordelen tot een onvoorwaardelijke straf.
Ten slotte heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) die strafrechters in Nederland hanteren. Voor een overval in een winkel met licht geweld/bedreiging, zoals een enkele ruk of duw zonder noemenswaardig letsel, is het uitgangspunt een gevangenisstraf van twee jaar.
Alles afwegend acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf passend en geboden. De rechtbank is van oordeel dat deze straf aansluit bij het aangehaalde LOVS-oriëntatiepunt en voorts rekening houdt met het strafblad van verdachte in [land van herkomst] en de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd. Dat betekent dat de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van (in totaal) 48 maanden op zijn plaats acht. Gelet op wat de rechtbank onder 3.1.1 van dit vonnis heeft overwogen, veroordeelt de rechtbank verdachte voor het onder 1 bewezen geachte feit tot een gevangenisstraf voor de duur van 28 maanden, met aftrek van het voorarrest en de tijd die verdachte in België in overleveringsdetentie heeft doorgebracht. Gelet op de brief van het Parket van Brussel van 27 juni 2019 heeft verdachte in het kader van de verzochte overlevering 104 dagen (van 15 januari tot 29 april 2019) in België in overleveringsdetentie verbleven. De rechtbank veroordeelt verdachte voor het onder 2 bewezen geachte feit tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden.