Bij tussenvonnis van 4 december 2020 heeft de kantonrechter geoordeeld dat de coronacrisis een onvoorziene omstandigheid is die kan meebrengen dat ongewijzigde instandhouding van de huurovereenkomst onaanvaardbaar is.
Of ingrijpen in de huurovereenkomst in dit geval aangewezen is hangt om te beginnen af van de vraag in hoeverre HZFC in staat is geweest in het gehuurde haar onderneming te exploiteren. Naar het oordeel van de kantonrechter kan dit het beste worden afgemeten aan de hand van een vergelijking van de omzet voor en tijdens de coronacrisis. Anders dan door HZFC bepleit is dus niet de gerealiseerde winst maatgevend, omdat deze ook van andere factoren afhangt. Het kan wel zo zijn dat bepaalde meer winstgevende bedrijfsonderdelen (zoals de fietsverhuur) meer lijden onder de coronacrisis dan minder winstgevende onderdelen, maar naar het oordeel van de kantonrechter valt dat onder het ondernemersrisico. Waar het bij een eventuele huurkorting immers om gaat is of de in het gehuurde geëxploiteerde onderneming daar kon worden uitgeoefend – en er dus omzet kon worden gerealiseerd.
Uit de door HZFC aangeleverde omzetcijfers tot en met december 2020 blijkt dat per saldo voor de in het gehuurde gedreven (onderdeel van de) onderneming slechts sprake is geweest van een beperkt omzetverlies. In heel 2020 is een omzet gerealiseerd van € 635.906,00 en in heel 2019 een omzet van € 661.939,00. Ook een vergelijking op maandbasis laat slechts een beperkte omzetdaling zien. Dit is ook verklaarbaar, nu HZFC heeft toegelicht dat weliswaar de verhuur van fietsen is teruggelopen, maar de verkoop is gestegen. Naar het oordeel van de kantonrechter bestaat onder deze omstandigheden onvoldoende reden om in te grijpen in de huurovereenkomst voor de periode waarop de huurvordering ziet.
Zoals ter zitting is besproken sluit dit niet uit dat dit voor de periode vanaf half december 2020 anders komt te liggen. HZFC is nu immers verplicht gesloten, behoudens voor reparatie, online bestellingen en – sinds kort – afhalen van producten. Cijfers over deze periode zijn niet in het geding gebracht en dat mocht van HZFC ook niet verwacht worden, nu LULU haar vordering pas kort voor de zitting heeft vermeerderd met de resterende huur over de periode tot en met februari 2021. Het ligt dan ook voor de hand dat partijen zo nodig alsnog over huurkorting in overleg treden, als nieuwe (met stukken onderbouwde) cijfers daartoe aanleiding geven.
Het beroep van HZFC op huurkorting – dat anders dan in het tussenvonnis overwogen als een beroep op verrekening zal worden beschouwd – zal voor nu worden verworpen. Dat betekent dat HZFC de ingehouden huur alsnog zal moeten betalen. Het gaat daarbij om een bedrag van € 14.396,02.
Ook de buitengerechtelijke incassokosten zijn toewijsbaar, nu HZFC terecht in rechte is betrokken. Gezien de achtergrond van de gedeeltelijke betaling zal de contractuele boete billijkheidshalve worden gematigd tot € 300,00.
De kantonrechter zal de overige vorderingen afwijzen. Gezien de coronacrisis en de rechtspraak die over huurkorting op gang is gekomen acht de kantonrechter het begrijpelijk dat HZFC, die meerdere panden huurt, heeft getracht met haar verhuurders in gesprek te komen. Ook is voorstelbaar dat om het hoofd boven water te houden een deel van de huur, in afwachting van overleg, niet betaald is. Het grootste deel van de huur is steeds wel betaald. Van betalingsonwil is in ieder geval niet gebleken. Onder die omstandigheden rechtvaardigt de tekortkoming geen ontbinding van de huurovereenkomst, zodat de vordering die daartoe strekt zal worden afgewezen. Hetzelfde geldt dan voor de ontruimingsvordering.
Gezien de uitkomst zal HZFC in de proceskosten veroordeeld worden.