Uitspraak
- antwoord met producties;
- instructievonnis;
- dagbepaling mondelinge behandeling.
1.Feiten
im frageof ik zou blijven.”
Rechtbank Amsterdam
De zaak betreft een geschil tussen verhuurder en huurder over het gebruik van een sociale huurwoning. De huurder, een ontwikkelingswerkster, verblijft sinds 2007 grotendeels in India voor haar werk, maar houdt haar hoofdverblijf naar het oordeel van de rechter in Nederland. De verhuurder vordert ontbinding van de huurovereenkomst wegens vermeende schending van de verplichting tot hoofdverblijf en verboden onderhuur.
De kantonrechter oordeelt dat uit de huurovereenkomst geen contractuele verplichting tot hoofdverblijf volgt en dat de huurder niet tekort is geschoten in het goed huurderschap op grond van artikel 7:213 BW Pro. Hoewel de huurder de woning tijdelijk aan een derde heeft onderverhuurd zonder toestemming, is deze tekortkoming van onvoldoende gewicht om ontbinding te rechtvaardigen.
De vorderingen van de verhuurder worden afgewezen en hij wordt veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige belangenafweging en de toepassing van het tenzij-arrest bij ontbinding van huurovereenkomsten.
Uitkomst: De vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst wordt afgewezen wegens onvoldoende gewicht van de onderhuur en geen contractuele verplichting tot hoofdverblijf.