Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Procesgang
2.Inhoud van het klaagschrift
[naam bedrijf]van klager gevestigd aan [adres 2] .
3.Standpunt van het Openbaar Ministerie
4.De beoordeling
5.De beslissing
ongegrond.
Rechtbank Amsterdam
Klager werd op 30 mei 2020 aangehouden op verdenking van witwassen, waarbij onder meer een geldbedrag van € 13.210,- in beslag werd genomen uit een verborgen ruimte in zijn kantoor. Klager verzocht om onmiddellijke teruggave van het geld, stellende dat het spaargeld betreft en niet van misdrijf afkomstig is.
Het Openbaar Ministerie verzette zich tegen teruggave, stellende dat het geld overeenkomt met biljetten aangetroffen bij medeverdachten en dat klager en zijn partner geen verifieerbare verklaring konden geven over de herkomst. Het onderzoek was afgerond en klager zou worden gedagvaard voor witwassen.
De rechtbank oordeelde dat het klaagschrift een summiere toetsing vereist en dat het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Klager gaf geen concrete, verifieerbare verklaring over de herkomst van het geldbedrag, dat niet past bij zijn inkomenspatroon.
Zowel het bedrag van € 12.000,- in de verborgen ruimte als het bedrag van € 1.210,- in het blauwe kistje werden beschouwd als vatbaar voor verbeurdverklaring. Daarom verklaarde de rechtbank het klaagschrift ongegrond en handhaafde het beslag.
Tegen deze beslissing staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad binnen veertien dagen na betekening.
Uitkomst: Het klaagschrift tegen het voortduren van het beslag op het geldbedrag wordt ongegrond verklaard en het beslag wordt gehandhaafd.