Eisers ontvingen vanaf 3 juni 2020 een AOW-uitkering en vroegen op 1 juli 2020 een AIO-aanvulling aan. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) kende de AIO-aanvulling toe vanaf de datum van aanvraag, 22 juli 2020, later herzien naar 1 juli 2020. Eisers voerden aan dat vanwege hun leeftijd, gebrek aan digitale vaardigheden en onvoldoende hulp door gezondheidsproblemen en coronamaatregelen, zij niet tijdig de aanvraag konden indienen en daardoor recht hadden op terugwerkende kracht vanaf 3 juni 2020.
De rechtbank oordeelde dat het recht op AIO-aanvulling ontstaat bij het moment van melding of aanvraag en dat alleen bijzondere omstandigheden een eerdere terugwerkende kracht kunnen rechtvaardigen. Eisers konden niet aannemelijk maken dat zij door externe oorzaken niet tijdig konden aanvragen, mede omdat zij wel op 1 mei 2020 digitaal een AOW-aanvraag konden indienen met hulp. Ook was de schuld aan een buurvrouw niet voldoende onderbouwd om aan te tonen dat zij niet in hun noodzakelijke kosten konden voorzien.
De rechtbank concludeerde dat de SVB terecht de AIO-aanvulling toegekend heeft vanaf 1 juli 2020 en dat het beroep ongegrond is. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.