ECLI:NL:RBAMS:2021:2552

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 mei 2021
Publicatiedatum
19 mei 2021
Zaaknummer
13/751005-21
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering Nederlandse verdachte aan Frankrijk op grond van Europees aanhoudingsbevel

De rechtbank Amsterdam behandelde op 18 mei 2021 de vordering tot overlevering van een Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit bezittende verdachte aan Frankrijk op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Het EAB werd uitgevaardigd vanwege een strafrechtelijk onderzoek naar illegale handel in verdovende middelen, strafbaar gesteld onder Frans recht.

Tijdens de procedure werd vastgesteld dat de verdachte niet aanwezig was bij de zitting van 4 mei 2021, ondanks schorsingsvoorwaarden, waarna zijn gevangenhouding werd bevolen. De rechtbank onderzocht de identiteit van de verdachte en bevestigde zijn dubbele nationaliteit. De strafbare feiten zijn opgenomen in de lijst van bijlage 1 bij de Overleveringswet, waardoor het onderzoek naar dubbele strafbaarheid achterwege kon blijven.

De rechtbank nam kennis van de garantie van de Franse autoriteiten dat de verdachte, indien veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, deze in Nederland mag ondergaan. Tevens werd beoordeeld dat de detentieomstandigheden in Frankrijk geen beletsel vormen voor overlevering, mede omdat de verdachte niet in de detentie-instelling met slechte omstandigheden wordt vastgehouden.

De rechtbank oordeelde dat de overlevering aan Frankrijk niet wordt belemmerd door de weigeringsgrond van artikel 13 OLW Pro, ondanks dat de feiten deels op Nederlands grondgebied zijn gepleegd. Gezien het lopende onderzoek in Frankrijk, de locatie van bewijsmiddelen en medeverdachten, en het uitgangspunt van overlevering als hoofdregel, werd de overlevering toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte aan Frankrijk toe.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751005-21
RK nummer: 21/1033
Datum uitspraak: 18 mei 2021
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 25 februari 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 31 december 2020 door de officier van justitie bij de rechtbank van Amiens (Frankrijk) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres], [plaats],
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

Zitting 20 april 2021
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 20 april 2021. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon was niet aanwezig. Zijn gemachtigd raadsman, mr. H. Raza, advocaat te Rotterdam heeft namens de opgeëiste persoon een aanhoudingsverzoek gedaan omdat de opgeëiste persoon een coronatest had ondergaan. De rechtbank heeft het aanhoudingsverzoek gehonoreerd en het onderzoek geschorst tot de zitting van 4 mei 2021.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
Zitting 4 mei 2021
De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 4 mei 2021. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal en de niet-gemachtigd raadsman, mr. H. Raza. De opgeëiste persoon is, zonder voorafgaand bericht en in strijd met zijn schorsingsvoorwaarden, niet verschenen. De rechtbank heeft de gevangenhouding van de opgeëiste persoon bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Nederlandse en de Marokkaanse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel van 16 december 2020 van de rechter-commissaris bij de rechtbank van Amiens (Frankrijk).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Frans recht strafbare feiten.
Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB en de aanvullende berichten van de uitvaardigende justitiële autoriteiten van 7 en 8 januari 2021 en 15 april 2021. Gewaarmerkte fotokopieën hiervan zijn als bijlagen aan deze uitspraak gehecht.

4.Strafbaarheid; feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar Frans recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.
De officier van justitie bij de rechtbank van Amiens heeft bij e-mail van 15 april 2021 de volgende garantie gegeven:
I, the undersigned, guarantee that Mr [opgeëiste persoon], born on [geboortedag] 1993, a Dutch national, will be entitled, in case he is sentenced to a custodial sentence by a final judgement, to serve his prison term in the Netherlands pursuant to the provisions of Council Framework Decision 2008/909/JHA of November 27th, 2008 on the application of the principle of mutual recognition to judgements in criminal matters imposing custodial sentences or measures involving deprivation of liberty for the purpose of their enforcement in the European Union.
Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.
Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.
Aan deze voorwaarde is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde lid/vierde lid/vijfde lid, van de Opiumwet.

6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW

Het EAB heeft betrekking op strafbare feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd.
Op grond van artikel 13, aanhef en onder a, OLW kan de rechtbank de overlevering in die situatie weigeren.
De officier van justitie heeft de rechtbank in overweging gegeven om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond en heeft daartoe het volgende aangevoerd:
  • het onderzoek is in Frankrijk aangevangen en loopt al enige tijd;
  • de verdovende middelen hadden Frankrijk als eindbestemming;
  • er zijn verdovende middelen in beslag genomen in Frankrijk;
  • bewijsmiddelen bevinden zich in Frankrijk;
  • medeverdachten worden vervolgd in Frankrijk;
  • de overlevering van een aantal medeverdachten aan Frankrijk is reeds toegestaan.
De rechtbank stelt voorop dat:
  • aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en toepassing van een facultatieve weigeringsgrond de uitzondering dient te zijn;
  • de weigeringsgrond ertoe strekt te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten vormt daarom het gegeven dat de feiten worden geacht geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd, naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanleiding om de weigeringsgrond toe te passen.
7.
Detentieomstandigheden in Frankrijk; artikel 4 Handvest Pro van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) en artikel 11 OLW Pro
De rechtbank heeft in eerdere uitspraken (onder andere ECLI:NL:RBAMS:2017:3763) geoordeeld dat er een reëel gevaar bestaat dat personen die in de detentie-instelling in Nîmes zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend worden behandeld, in de zin van artikel 4 van Pro het Handvest.
In de e-mail van 15 april 2021 van de officier van justitie bij de rechtbank van Amiens is echter meegedeeld dat de opgeëiste persoon niet in de detentie-instelling in Nîmes wordt gedetineerd.
Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon na overlevering aan Frankrijk niet het gevaar loopt aan een behandeling in strijd met artikel 4 van Pro het Handvest te worden onderworpen. De detentieomstandigheden staan dan ook niet aan overlevering in de weg; de weigeringsgrond van artikel 11 OLW Pro is niet van toepassing.

8.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

9.Toepasselijke wetsartikelen

Artikel 47 van Pro het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10, 11 en 11b van de Opiumwet en 2, 5, 6, 7 en 13 van de OLW.

10.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan de officier van justitie bij de rechtbank van Amiens (Frankrijk).
Aldus gedaan door
mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,
mrs. J.A.A.G. de Vries en D.P. Hein, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. N.M. van Trijp, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 18 mei 2021.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.