ECLI:NL:RBAMS:2021:2778
Rechtbank Amsterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening bij afwijzing bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Verzoeker heeft een bijstandsuitkering aangevraagd, maar deze werd afgewezen omdat hij samenwoont met zijn zus en er sprake is van een gezamenlijke huishouding. Verzoeker betwist dit en stelt dat er sprake is van eenzijdige zorg, omdat zijn zus alle huishoudelijke taken verricht.
De voorzieningenrechter onderzoekt of er sprake is van wederzijdse zorg, een vereiste voor gezamenlijke huishouding volgens de Participatiewet. Uit de verklaring van verzoeker blijkt dat hij soms een bijdrage levert, zij een gezamenlijke wasmand hebben en beiden de woning om en om schoonmaken, hoewel zijn zus dat meestal doet.
De rechter concludeert dat er sprake is van wederzijdse zorg en een financiële verstrengeling die verder gaat dan alleen het delen van woonlasten. De verklaring van verzoeker is ondertekend en mag als uitgangspunt dienen, terwijl de aanvullende verklaringen minder gewicht krijgen.
Daarom blijft het bestreden besluit naar verwachting in bezwaar in stand en wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding tot vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat sprake is van gezamenlijke huishouding met wederzijdse zorg.