ECLI:NL:CRVB:2015:4622
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging gezamenlijke huishouding en herziening AOW-pensioen met terugvordering
Appellant en appellante ontvingen beiden een ouderdomspensioen op grond van de AOW voor ongehuwden. Na inschrijving van appellant op het adres van appellante en een onderzoek door de Sociale verzekeringsbank (Svb), werd vastgesteld dat zij een gezamenlijke huishouding voeren. De Svb wijzigde daarom hun pensioenen naar de gehuwdennorm en vorderde onverschuldigde bedragen terug.
De rechtbank Amsterdam vernietigde de besluiten wegens onvoldoende motivering, maar handhaafde de rechtsgevolgen. De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel en oordeelde dat er sprake is van wederzijdse zorg en een mate van financiële en persoonlijke verbondenheid die verder gaat dan een commerciële relatie.
De Raad wees onder meer op het feit dat appellant de hypotheeklasten betaalt, dat zij samen maaltijden gebruiken, huishoudelijke taken delen en elkaar verzorgen bij ziekte. Ook het testament waarin appellante als begunstigde is aangewezen, werd als indicatie van zorg gezien. De stelling dat appellante regelmatig in het buitenland verblijft, werd onvoldoende onderbouwd en deed niet af aan de gezamenlijke huishouding.
De Raad concludeerde dat de Svb terecht heeft gehandeld en bevestigde de bestreden uitspraak, waarmee het hoger beroep werd verworpen. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellanten een gezamenlijke huishouding voeren en wijzigt het AOW-pensioen naar de gehuwdennorm met terugvordering van onverschuldigde betalingen.