Eiseres, geboren en eerder woonachtig in Nederland, was sinds 2015 in Suriname. Op 21 juni 2020 keerde zij met haar drie Nederlandse kinderen terug naar Nederland en vroeg kinderbijslag aan. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees de aanvraag af omdat eiseres op 1 juli 2020 geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had, aangezien zij kort in Nederland verbleef, geen zelfstandige woonruimte had en niet werkte.
Eiseres voerde aan dat zij wel degelijk een duurzame band had, onder meer vanwege haar geboorte en eerdere langdurige verblijf in Nederland, de schoolgaande kinderen en haar intentie om te blijven. De rechtbank oordeelde dat de intentie alleen onvoldoende is en dat het ontbreken van zelfstandige woonruimte en werk, evenals het korte verblijf, doorslaggevend zijn. Ook was onduidelijk of de kinderen op de peildatum al ingeschreven waren op school.
De rechtbank verwierp het beroep van eiseres en stelde dat zij niet voldeed aan de ingezetene-eis van de AKW. De aangehaalde jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep was niet vergelijkbaar. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.