Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen
[eiser], te Amsterdam, eiser,
Procesverloop
€ 624,33 teruggevorderd.
Overwegingen
Beslissing
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken.
Rechtbank Amsterdam
Eiser ontving een WW-uitkering en verweerder herzag deze op grond van vermeende hogere inkomsten in juni 2020 dan door eiser opgegeven. Verweerder baseerde zich op gegevens van de Belastingdienst en Suwinet, waaruit bleek dat eiser € 2.214,63 had verdiend terwijl hij € 0,- had opgegeven. Daarom werd € 624,33 teruggevorderd.
Eiser voerde aan dat hij in juni 2020 niet meer werkzaam was en overlegd een loonspecificatie en verklaring van de voormalige werkgever waaruit blijkt dat hij op 31 mei 2020 uit dienst trad. De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht uitging van de gegevens van de Belastingdienst, die als bepalend gelden tenzij eiser het tegendeel bewijst.
Op grond van artikel 4:1, negende lid, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten wordt het inkomen geacht te zijn genoten in de maand waarin het aangiftetijdvak van vier weken eindigt, hier juni 2020. De rechtbank stelt dat dit een dwingendrechtelijke en restrictief toe te passen regeling is, en dat het feit dat het inkomen feitelijk in een andere maand is verdiend onvoldoende is voor een kennelijk onredelijk resultaat.
Omdat de WW-uitkering deels onverschuldigd is betaald, was verweerder gehouden het teveel betaalde bedrag terug te vorderen. Er zijn geen dringende redenen gesteld om hiervan af te zien. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de terugvordering van de te veel ontvangen WW-uitkering wordt ongegrond verklaard.