Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis van de kantonrechter
[eiser]
Binckbank N.V.
VERLOOP VAN DE PROCEDURE
- de conclusie van antwoord met producties;
- het instructievonnis;
- de dagbepaling mondelinge behandeling.
GRONDEN VAN DE BESLISSING
Feiten
“Beëindigingsvergoeding”)
Vordering
- i) te verklaren voor recht dat het beding ter finale kwijting zoals opgenomen in artikel 31 van Pro de vso, voor zover deze ziet op de aftoppingsregeling, een nietige bepaling is, althans dat Binckbank zich hierop niet kan beroepen;
- ii) te verklaren voor recht dat de aftopping van de beëindigingsvergoeding zoals opgenomen in artikel 11 van Pro de vso jo. artikel 3.1 van het Sociaal Plan een nietige bepaling is, althans dat Binckbank zich hierop niet kan beroepen;
- iii) Binckbank te veroordelen tot betaling van een vergoeding van primair € 308.197,50 bruto, subsidiair € 189.660,00 bruto, één en ander met veroordeling van Binckbank in de kosten van de procedure.
Verweer
Beoordeling
‘de nadelige materiële en immateriële gevolgen voor de getroffen werknemers te verzachten’, waarbij de beperkte, beschikbare financiële middelen rechtvaardig moeten worden verdeeld over alle bij het ontslag betrokkenen. Daarbij gaat het er volgens Binckbank om deze middelen niet (vrijwel) geheel ten goede te laten komen aan de oudere werknemers als ook om het beschermen van jongere werknemers en hen te helpen bij de re-integratie in het arbeidsproces. Bij dit alles speelt mee dat een werknemer er bij ontslag niet op vooruit hoeft te gaan ten opzichte van de situatie waarin zijn arbeidsovereenkomst op de AOW-leeftijd zou zijn geëindigd. Eén en ander vormt een legitiem doel, hetgeen [eiser] onvoldoende heeft weersproken.