ECLI:NL:RBAMS:2021:39

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
13 januari 2021
Publicatiedatum
11 januari 2021
Zaaknummer
13/751594-20
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 13 OLWArt. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks detentieomstandigheden in Italië

De rechtbank Amsterdam behandelde op 30 december 2020 de vordering tot overlevering van een persoon aan Italië op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd op 11 juni 2020. De opgeëiste persoon, van Nigeriaanse nationaliteit en gedetineerd in Nederland, werd vertegenwoordigd door een advocaat en bijgestaan door een tolk tijdens de zitting.

Het EAB betreft strafrechtelijke vervolging in Italië wegens illegale handel in verdovende middelen, een feit dat volgens de Overleveringswet (OLW) onder bijlage 1 valt en waarvoor een gevangenisstraf van minimaal drie jaar staat. Hoewel de feiten deels op Nederlands grondgebied zouden zijn gepleegd, heeft de officier van justitie met succes verzocht af te zien van de weigeringsgrond op grond van artikel 13 OLW Pro, vanwege de voortgang van het onderzoek in Italië en de betrokkenheid van medeverdachten aldaar.

De rechtbank heeft uitgebreid gewogen of de detentieomstandigheden in Italië een beletsel vormen voor overlevering. Ondanks eerdere rapporten over ontoereikende omstandigheden in diverse Italiaanse gevangenissen, heeft het Italiaanse Ministerie van Justitie garanties gegeven dat de opgeëiste persoon zal worden ondergebracht in een penitentiaire inrichting met acceptabele omstandigheden. De rechtbank acht deze garanties toereikend en ziet geen reëel gevaar voor onmenselijke of vernederende behandeling, ook niet gelet op de medische situatie van de opgeëiste persoon.

Gelet op de naleving van de wettelijke vereisten en het ontbreken van gegronde bezwaren, heeft de rechtbank de overlevering toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Italië toe.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751594-20
RK nummer: 20/5291
Datum uitspraak: 13 januari 2021
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 4 november 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 11 juni 2020 door
the Preliminary Investigation Judge of Sassari’s Court(Italië) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Nigeria) op [geboortedag] 1982,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [penitentiaire inrichting] te [plaats] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 30 december 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon heeft de zitting bijgewoond vanuit zijn detentie-instelling via een videoverbinding. Hij is bijgestaan door zijn raadsman, mr. B. Jansen, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Engelse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nigeriaanse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een
pre trial detention ordervan 11 juni 2020 van
the pretrial judge of court of Sassari(referentie: PROC. N 609/2020 Pretrial Judge, 1775/18 Rg-21 P.M.).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Italiaans recht strafbare feiten.
Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4.Strafbaarheid; feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar Italiaans recht een vrijheidsstraf met een maximum van tenminste drie jaren gesteld.

5.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW

Het EAB heeft betrekking op strafbare feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd.
In die situatie staat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW de overlevering niet toe.
Met een beroep op artikel 13, tweede lid, OLW heeft de officier van justitie gevorderd dat wordt afgezien van deze weigeringsgrond. Uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling behoort overlevering aan de Italiaanse autoriteiten plaats te vinden.
De volgende argumenten zijn aangevoerd:
  • Het onderzoek is reeds in Italië aangevangen;
  • Italië heeft door middel van het uitvaardigen van het EAB aangegeven te willen vervolgen;
  • De medeverdachten van de opgeëiste persoon worden in Italië vervolgd;
  • De drugs zijn in Italië geïmporteerd en bestemd voor de Italiaanse markt. Derhalve is in Italië de openbare orde geschonden.
Gelet op de aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen. Daarom moet van bedoelde weigeringsgrond worden afgezien.

6.Detentieomstandigheden in Italië

In eerdere uitspraken heeft deze rechtbank overwogen dat uit een onderzoeksrapport van de non-gouvernementele organisatie Antigone van mei 2019 blijkt dat ten aanzien van 16 detentiecentra in Italië niet is gegarandeerd dat gedetineerden minimaal 3 vierkante meter
personal spacezullen hebben. Ten aanzien van deze detentiecentra heeft de rechtbank geoordeeld dat een reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling, als bedoeld in artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). Het betreft de detentiecentra:
Bergamo, Milaan San Vittore, Opera van Milaan, Monza, Voghera, Alba, Pisa, Campobasso, Civitavecchia Nuovo Complesso, Turi, Trani vrouwen, Catanzaro, Catania Piazza Lanza, Nuoroen de twee Napolitaanse gevangenissen
Poggiorealeen
Secondi.
Het Italiaanse Ministerie van Justitie, Departement Juridische Zaken, Algemene Directie Internationale Zaken en Juridische Samenwerking heeft vervolgens – mede gelet op het hiervoor genoemde onderzoeksrapport – in meerdere overleveringszaken de (algemene) garantie gegeven
“(…) dat de door de Nederlandse Autoriteiten overgeleverde personen zullen worden ondergebracht, zijnde de eerste allocatie, in de penitentiaire inrichting van Rome-Rebibbia-Nieuw Complex en dat zij ook nadien niet zullen worden ondergebracht in een van de 16 instellingen (Bergamo, Milano San Vittore, Milano Opera, Monza, Voghera, Alba, Pisa, Campobasso, Civitavecchia Nuovo Complesso, Trani Femminile, Catanzaro, Catania Piazza Lanza, Nuoro, Napoli Poggioreale en Napoli Secondigliano, Turi) ten aanzien waarvan de rechtbank Amsterdam heeft aangegeven dat daar het risico aanwezig is van ontoereikende omstandigheden.”
De garantie is niet ondertekend door de uitvaardigende justitiële autoriteit maar door de Minister van Justitie. Gelet op het arrest van het Hof van Justitie van 25 juli 2018 in de zaak ML (ECLI:EU:C:2018:589) moet, aangezien ook in die zaak de garantie was gegeven door het Ministerie van Justitie en niet door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit, de door een dergelijke garantie geboden zekerheid bijgevolg worden bepaald aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover de uitvoerende rechterlijke autoriteit beschikt. De rechtbank heeft in meerdere zaken aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikte, deze garantie als toereikend beoordeeld (zie bijvoorbeeld: Rb Amsterdam 3 september 2020 ECLI:NL:RBAMS:2020:4334). De rechtbank heeft in die zaken geoordeeld dat er voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling.
De rechtbank komt in deze zaak tot hetzelfde oordeel. Van belang is daarbij dat het Italiaanse Ministerie van Justitie, Departement Juridische Zaken, Algemene Directie Internationale Zaken en Juridische Samenwerking een brief heeft overgelegd van 23 december 2020 waarin zij uitdrukkelijk bevestigt dat de garanties als vervat in die brieven van 2 en 4 maart 2020 nog steeds gelden in deze zaak.
De raadsman heeft verder aangevoerd dat vanwege de medisch kwetsbare situatie van de opgeëiste persoon voor hem, ondanks de verstrekte garantie, overlevering naar Italië tot een schending van artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden dan wel artikel 4 van Pro het Handvest zou leiden. Daartoe is volgens de raadsman van belang dat onduidelijk is of in de Italiaanse detentie-instelling de benodigde medische zorg kan worden geboden. Subsidiair heeft de raadsman de rechtbank verzocht op dit punt nadere informatie op te vragen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit.
De rechtbank ziet in hetgeen de raadsman heeft aangevoerd geen aanleiding niet te vertrouwen op de verstrekte garantie, ook voor wat betreft het zo nodig beschikbaar zijn van de benodigde medische zorg. De raadsman heeft namelijk niet gesteld dat de medische zorg niet beschikbaar zou zijn. Hij heeft in feite slechts de vraag opgeworpen of die medische zorg wel beschikbaar is. Daarbij heeft hij geen stukken overgelegd, die blijk geven van een op dit punt verontrustende situatie in Italiaanse detentie-instellingen. De rechtbank ziet daarom geen reden voor weigering van de overlevering of het doen van nader onderzoek, zoals verzocht door de raadsman.

7.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

8.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 7 en 13 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon] ,aan
the Preliminary Investigation Judge of Sassari’s Court(Italië).
Aldus gedaan door
mr. J.A.A.G. de Vries, voorzitter,
mrs. E.G.M.M. van Gessel en J.H. Beestman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 13 januari 2021.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.