ECLI:NL:RBAMS:2021:3962

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
8 juli 2021
Publicatiedatum
30 juli 2021
Zaaknummer
13/751050-21
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWKaderbesluit 2002/584/JBZArt. 284 Italiaanse Wetboek van Strafvordering
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel voor illegale drugshandel

De rechtbank Amsterdam behandelde op 8 juli 2021 de vordering tot overlevering van een Nigeriaanse verdachte op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Italiaanse autoriteiten. De verdachte, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland en gedetineerd in een Justitieel Complex, werd bijgestaan door een advocaat en een tolk.

Het EAB betreft een order applying a precautionary measure – huisarrest – opgelegd door de onderzoeksrechter in Sassari, Italië. Dit huisarrest wordt uitgevoerd met een enkelband en gaat gepaard met een gevangenhouding om de verdachte naar zijn woning te brengen en daar ter beschikking van de gerechtelijke autoriteiten te houden. De maatregel omvat een verbod op communicatie met derden en toezicht door de politie.

De officier van justitie stelde dat deze maatregel een vrijheidsbenemende maatregel is in de zin van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ en de Overleveringswet (OLW), en dus een geldig nationaal aanhoudingsbevel vormt. De rechtbank volgde dit standpunt, mede gelet op de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie.

De verdachte wordt verdacht van illegale handel in verdovende middelen, een feit dat voorkomt op de lijst van bijlage 1 van de OLW, waardoor onderzoek naar dubbele strafbaarheid achterwege blijft. De rechtbank concludeerde dat het EAB aan alle wettelijke vereisten voldoet en geen weigeringsgronden aanwezig zijn, en stond de overlevering toe.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de verdachte aan Italië toe op grond van het Europees aanhoudingsbevel.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751050-21
RK nummer: 21/2850
Datum uitspraak: 8 juli 2021
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 21 mei 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 25 november 2020 door de
Pre-trial investigation judge at the Court of Sassari(Italië) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren te [geboorteplaats] (Nigeria) op [geboortedag] 2000,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in het Justitieel Complex [locatie te plaats],
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 8 juli 2021. Het verhoor heeft, via telehoren, plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. N. Wijkman, advocaat te Almere, die waarneemt voor mr. D.A.W. Dekker, en door een tolk in de Engelse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nigeriaanse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een
order applying a precautionary measure – house arrest. Uit de e-mail van 4 juni 2021 van de officier van justitie te Sassari, blijkt dat het arrestatiebevel is uitgevaardigd op 11 juni 2020 door de onderzoeksrechter bij de Rechtbank van Sassari (referentienummer: RGNR 1755/2018, RG GIP 609/2020).
Uit de beslissing waarbij het huisarrest aan de opgeëiste persoon is opgelegd, blijkt over het karakter daarvan het volgende.
Huisarrest op grond van artikel 284 van Pro het Italiaanse Wetboek van Strafvordering wordt ondergaan in de daartoe opgegeven woning met behulp van een elektronisch middel (enkelband). Daartoe wordt de gevangenneming gelast en wordt bepaald dat de betrokkene naar zijn woning wordt gebracht om ter beschikking te blijven van de gerechtelijke autoriteiten, met het verbod om de woning te verlaten zonder voorafgaande toestemming van de rechter en met de waarschuwing dat als hij zich niet houdt aan het verbod, hij zich zal moeten verantwoorden voor het plegen van het strafbare feit van ‘ontsnapping’. Daarbij kan hechtenis worden toegepast. Het huisarrest gaat gepaard met een verbod tot communicatie met welk middel dan ook (via telefoon, zowel vast als mobiel, fax, internet, e-mail, sms of andere vergelijkbare middelen) met personen anders dan huisgenoten. De politie wordt opgedragen controle uit te oefenen. De beslissing houdt verder in dat, als de betrokkene niet instemt met het dragen van de enkelband, reeds voor dat geval is bepaald dat de betrokkene in gewone hechtenis zal worden genomen.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op het arrest
JZ, [1] de beslissing waarbij het huisarrest is opgelegd een “tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel” in de zin van artikel 2, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ is en dat een dergelijke beslissing dus ten grondslag aan een EAB mag worden gelegd.
Op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, Kaderbesluit 2002/584/HBZ en artikel 2, tweede lid, aanhef en onder c, OLW moet een vervolgings-EAB het bestaan vermelden van een nationaal “aanhoudingsbevel of een andere voor tenuitvoerlegging vatbare gelijkwaardige rechterlijke beslissing”.
Zoals het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) heeft overwogen in het arrest
Svishtov Regional Prosecutor’s Office, ziet dat begrip “op nationale maatregelen die een rechterlijke autoriteit vaststelt om een strafrechtelijk vervolgd persoon op te sporen en aan te houden teneinde hem voor een rechter te brengen zodat de strafprocedurele handelingen kunnen worden uitgevoerd”. [2]
Wat er ook zij van de door de officier van justitie aangehaalde bepaling en rechtspraak, is de rechtbank van oordeel dat uit de hiervoor weergegeven schets van het karakter van de nationale beslissing – met name de omstandigheid dat met het oog op het ondergaan van het huisarrest de gevangenhouding wordt gelast teneinde de betrokkene naar zijn woning te brengen om daar ter beschikking van de gerechtelijke autoriteiten te blijven – volgt dat deze beslissing een nationaal “aanhoudingsbevel” in de zin van Kaderbesluit 2002/584/JBZ en de OLW oplevert.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Italiaans recht strafbaar feit.
Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4.Strafbaarheid: feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar Italiaans recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

6.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5 en 7 van de OLW.

7.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan de
Pre-trial investigation judge at the Court of Sassari(Italië).
Aldus gedaan door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. E.G.M.M. van Gessel en A. Pahladsingh, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Gigengack, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 8 juli 2021.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.HvJ EU 28 juli 2016, C-294/16 PPU, ECLI:EU:C:2016:610 (
2.HvJ EU 10 maart 2021, C-648/20 PPU, ECLI:EU:C:2021:187 (