ECLI:NL:RBAMS:2021:4159

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 juli 2021
Publicatiedatum
10 augustus 2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 5544
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging Ziektewetuitkering na Eerstejaarsbeoordeling bevestigd door rechtbank

Eiser, voormalig verkoopmedewerker, meldde zich ziek met lichamelijke klachten en ontving een Ziektewetuitkering. Na een Eerstejaars Ziektewetbeoordeling beëindigde het UWV de uitkering omdat eiser volgens een verzekeringsarts niet geschikt was voor zijn oude functie, maar wel voor andere functies waarmee hij meer dan 65% van zijn oude loon kon verdienen.

Eiser maakte bezwaar en stelde dat hij meer beperkingen had dan vastgesteld, waardoor de voorgestelde functies te zwaar waren. Het UWV handhaafde het besluit na een herbeoordeling door een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige, die concludeerden dat eiser geschikt bleef voor andere functies.

De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, dat de beperkingen adequaat waren vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst en dat eiser geen medische gegevens had overgelegd die twijfel aan deze beoordeling rechtvaardigden. Ook de arbeidskundige beoordeling werd als deugdelijk beschouwd.

Daarom is het besluit van het UWV om de Ziektewetuitkering te beëindigen op goede gronden genomen. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de beëindiging van de Ziektewetuitkering wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 20/5544

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. L.M. Dragtenstein),
en
de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,verweerder
( [gemachtigde verweerder] ).
Partijen worden hierna [eiser] en het Uwv genoemd.

Procesverloop

Met een besluit van 10 januari 2020 (het primaire besluit) heeft het Uwv de uitkering van [eiser] op grond van de Ziektewet (ZW) vanaf 11 februari 2020 beëindigd.
Met een besluit van 18 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van [eiser] ongegrond verklaard.
[eiser] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden via een videoverbinding (Skype) op
10 mei 2021. [eiser] heeft deelgenomen aan de Skype-zitting, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. [eiser] was werkzaam als verkoopmedewerker. Op 3 december 2018 heeft [eiser] zich met lichamelijke klachten ziekgemeld, waarna hij een ZW-uitkering heeft ontvangen.
2. In het kader van de Eerstejaars Ziektewetbeoordeling is [eiser] medisch onderzocht en is een arbeidskundig onderzoek uitgevoerd. Volgens de verzekeringsarts is [eiser] niet geschikt voor zijn oude werk als verkoopmedewerker. De verzekeringsarts heeft zijn beperkingen vastgelegd in de Functionele mogelijkhedenlijst (FML). De arbeidsdeskundige heeft aan de hand van de FML geconcludeerd dat [eiser] in staat is om andere functies uit te voeren waarmee hij meer dan 65% van zijn oude loon kan verdienen. Met het primaire besluit is daarom de ZW-uitkering van [eiser] beëindigd.
3. Naar aanleiding van het bezwaar van [eiser] heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep opnieuw naar de medische klachten van [eiser] gekeken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 16 juni 2020 vastgesteld dat de primaire medische beoordeling niet kan worden gehandhaafd en heeft een nieuwe FML opgesteld. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onderzoek gedaan. Op basis van de gewijzigde FML zijn er volgens deze arbeidsdeskundige nog voldoende andere functies die [eiser] kan uitvoeren. [eiser] kan nog steeds meer dan 65% van zijn oude loon verdienen. Het Uwv heeft daarom met het bestreden besluit het bezwaar van [eiser] ongegrond verklaard.
4. [eiser] stelt dat hij meer beperkt is dan de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aangenomen. [eiser] voert aan dat de geduide functies daarom niet geschikt voor hem zijn. Volgens [eiser] zijn deze functies te zwaar en kan hij deze niet in aangepaste vorm uitvoeren. Volgens [eiser] is er geen een functie die hij kan verrichten met zijn beperkingen ten aanzien van tillen, typen, langdurig staan en zitten.
Het oordeel van de rechtbank
5. De rechtbank moet beoordelen of het Uwv de ZW-uitkering van [eiser] op goede gronden heeft beëindigd.
6. De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat het Uwv zijn besluiten over arbeidsongeschiktheid in principe mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen. Deze rapporten moeten dan wel aan een aantal voorwaarden voldoen. De rapporten moeten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, ze mogen geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies moeten logisch voortvloeien uit de rapportages. Het is aan [eiser] om aannemelijk te maken dat de rapporten die over hem zijn opgesteld niet aan deze vereisten voldoen.
Medische beoordeling
7. Naar het oordeel van de rechtbank is het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen zorgvuldig geweest. De verzekeringsarts heeft het dossier bestudeerd en heeft [eiser] op spreekuur gezien. De verzekeringsarts heeft [eiser] ook lichamelijk onderzocht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier bestudeerd en er heeft een telefonisch spreekuur plaatsgevonden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de medische informatie, die [eiser] heeft overgelegd in bezwaar, meegenomen in de beoordeling.
8. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten aanzien van de gestelde klachten inzichtelijk heeft gemotiveerd dat daarvoor in de FML voldoende beperkingen zijn opgenomen. De verzekeringsartsen zijn ingegaan op de diverse klachten van [eiser] en hebben in verband daarmee ook diverse beperkingen aangenomen.
9. [eiser] heeft geen medische gegevens overgelegd die aanleiding geven tot twijfel aan de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de medische beperkingen van [eiser] juist zijn vastgelegd in de FML van
16 juni 2020. Het bestreden besluit berust dan ook op een deugdelijke medische grondslag.
Arbeidskundige beoordeling
10. Bij de vraag of [eiser] kan werken in de functies die de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voor [eiser] heeft geselecteerd, gaat de rechtbank uit van de beperkingen zoals deze zijn vastgelegd in de FML van 16 juni 2020.
11. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft, na bestudering van het dossier en overleg met de verzekeringsarts bezwaar en beroep, functies geduid die theoretisch geschikt zijn voor [eiser] . [eiser] is geschikt geacht voor de functies wikkelaar (SBC 267053), productiemedewerker industrie (SBC 111180), monteur printplaten (SBC 267051), productiemedewerker textiel (SBC 272043) en textielproductenmaker (SBC 111160).
Voor zover er sprake is van signaleringen heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat de belastbaarheid van [eiser] in de functies niet wordt overschreden. Hieruit volgt dat het werk dus niet te zwaar is voor [eiser] . [eiser] wordt daarom in staat geacht om de geduide functies te kunnen verrichten. Dit betekent dat het bestreden besluit op een deugdelijke arbeidskundige grondslag berust.
Conclusie
12. Het Uwv heeft de ZW-uitkering van [eiser] op goede gronden beëindigd. Het beroep is ongegrond.
13. Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het door [eiser] betaalde griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. van de Ven, rechter, in aanwezigheid van
mr. A. Vijn, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
griffier De rechter is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen.
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.