De rechtbank Amsterdam behandelde op 10 juni 2021 een vordering tot overlevering van een opgeëiste persoon aan België op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen. De opgeëiste persoon werd verdacht van deelname aan een criminele organisatie en illegale handel in verdovende middelen, specifiek het runnen van een XTC-laboratorium.
De verdediging voerde aan dat de stukken ongenoegzaam waren en dat de betrokkenheid van de opgeëiste persoon onvoldoende was omschreven, maar de rechtbank oordeelde dat het EAB een voldoende gedetailleerde en duidelijke omschrijving bevatte, waarmee het specialiteitsbeginsel gewaarborgd is. Tevens werd de dubbele strafbaarheid van de feiten niet onderzocht omdat deze op de lijst van bijlage 1 bij de Overleveringswet stonden.
Een belangrijk verweer betrof de detentieomstandigheden in België, waarbij de verdediging stelde dat er sprake is van structurele gebreken en een reëel gevaar bestaat voor schending van grondrechten na overlevering. De rechtbank vond de aangevoerde gegevens onvoldoende actueel en objectief en accepteerde de garantie dat de opgeëiste persoon in een mono-cel zal worden geplaatst.
Gelet op de voldoening aan de wettelijke eisen en het ontbreken van weigeringsgronden, besloot de rechtbank de overlevering toe te staan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.