De rechtbank Amsterdam behandelde op 10 juni 2021 de vordering tot overlevering op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Griekenland. De opgeëiste persoon wordt verdacht van een woningoverval met dodelijke afloop in Chalkida. De rechtbank onderzocht de identiteit en de rechtmatigheid van het EAB, waarbij zij oordeelde dat de Griekse onderzoeksrechter voorafgaand aan de uitvaardiging het EAB op proportionaliteit toetst, hetgeen voldoet aan de eisen van effectieve rechterlijke bescherming.
De verdediging voerde een onschuldverweer aan, onderbouwd met een tandartsafspraak in Nederland en meldplichtgegevens bij een asielzoekerscentrum die aantonen dat de opgeëiste persoon niet aanwezig kon zijn op de plaats delict. De officier van justitie betwistte dit niet, maar stelde dat nader onderzoek nodig zou zijn. De rechtbank concludeerde dat de opgeëiste persoon zijn onschuld ter zitting heeft aangetoond en dat het feit onmogelijk door hem gepleegd kon zijn.
Hoewel het onschuldverweer niet expliciet in het Kaderbesluit EAB is opgenomen, is de rechtbank op grond van nationale wetgeving verplicht dit te onderzoeken. Gezien het slagen van het onschuldverweer wordt het onderzoek heropend en geschorst om de Griekse autoriteiten te vragen welke gevolgen dit oordeel heeft voor de gevraagde overlevering. De uitspraak is een tussenuitspraak en er staat geen gewoon rechtsmiddel tegen open.