De burgemeester van Amsterdam heeft op grond van artikel 13b van de Opiumwet de sluiting bevolen van een woning voor drie maanden vanwege de aanwezigheid van een handelshoeveelheid harddrugs, een geldtelmachine en een grote som contant geld. Dit besluit werd aangevochten door de huurder van de woning, die stelde niet op de hoogte te zijn van de drugs en dat de sluiting haar eer en goede naam aantast.
De voorzieningenrechter overwoog dat de sluiting gericht is op het herstel van de openbare orde en het voorkomen van herhaling. Ondanks dat de woning bewoond is, zijn verzwarende omstandigheden aanwezig, zoals de grote som contant geld en het vermoeden van handel en overdracht van drugs en geld. De nabijheid van een basisschool versterkt de noodzaak van de sluiting.
De voorzieningenrechter vond de sluiting noodzakelijk en evenredig, ook al heeft verzoekster geen verwijtbare rol, omdat zij eerder pakketjes voor haar zoon aannam en drugs in de woning aanwezig waren. De belangen van de openbare orde wegen zwaarder dan het individuele belang van verzoekster. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.