ECLI:NL:RVS:2021:668
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- J.J. van Eck
- G.T.J.M. Jurgens
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit woning sluiting wegens drugshandel wegens onredelijke beleidsregel
De burgemeester van Meierijstad sloot op 14 mei 2019 de huurwoning van appellante voor drie maanden wegens drugshandel vanuit die woning, gebaseerd op anonieme meldingen en politieonderzoek waarbij hennep, hasj en handelingsmaterialen werden aangetroffen. Appellante had nog contact met de vermoedelijke handelaar, vader van een van haar kinderen. De burgemeester verkortte later de sluitingstermijn na bezwaar van appellante, die vervolgens beroep instelde bij de bestuursrechter.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Appellante stelde dat de Beleidsregel die sluiting voorschrijft bij een eerste overtreding onredelijk is omdat deze geen ruimte laat voor lichtere maatregelen zoals een waarschuwing, wat strijd zou zijn met het EVRM en eerdere jurisprudentie.
De Afdeling oordeelde dat de Beleidsregel inderdaad onvoldoende ruimte laat voor minder ingrijpende maatregelen en daarmee onredelijk is. Desondanks was de burgemeester bevoegd en mocht hij de woning sluiten vanwege de ernst van de overtreding, de omvang van de drugshandel en de woonwijkcontext. De sluiting was noodzakelijk en evenredig, mede omdat appellante niet persoonlijk verwijtbaar was en zij alternatieve huisvesting had.
De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank en het besluit van de burgemeester, verklaarde het beroep gegrond, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Tevens veroordeelde zij de burgemeester tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit en vonnis vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.