Op 21 september 2021 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een rekestprocedure met parketnummer 13/751771-21, betreffende een vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW) die was ingediend door de officier van justitie. Deze vordering, gedateerd op 19 juli 2021, betreft de behandeling van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat op 15 juli 2021 door het Amtsgericht Hannover in Duitsland is uitgevaardigd. De opgeëiste persoon, geboren in Albanië en momenteel gedetineerd in Nederland, wordt verdacht van strafbare feiten volgens Duits recht, specifiek illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
De zitting vond plaats op 7 september 2021, waar de opgeëiste persoon via telehoren werd gehoord, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. K.C. van de Wijngaart, en een tolk. De rechtbank heeft de termijn voor de uitspraak met dertig dagen verlengd om een weloverwogen beslissing te kunnen nemen. De identiteit van de opgeëiste persoon werd bevestigd, en de rechtbank concludeerde dat het EAB voldeed aan de eisen van de OLW. Er waren geen weigeringsgronden voor de overlevering, en de rechtbank heeft besloten de overlevering toe te staan.
De uitspraak is gedaan door de voorzitter, mr. H.P. Kijlstra, en de rechters mrs. J.A.A.G. de Vries en J.P.W. Helmonds, in aanwezigheid van griffier mr. D. Gigengack. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open, zoals bepaald in artikel 29, tweede lid, OLW.